D E    B I J B E L

 in het licht van Gene Zijde

 

Het 14e gezegde spreekt over de lichten in het uitspansel. Er staat: En God zeide: dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.  

Hier is nu sprake van sterren en planeten, van een uitspansel met al het leven daarin. Maar dat leven heeft eveneens biljoenen eeuwen nodig gehad om tot stoffelijke verdichting te komen. De bijbelschrijvers putten steeds uit ’t bestaande, uit dat, wat tot hun eigen leven behoort. Zij wisten van dit ontstaan niets af, zij schrijven over iets, waartoe zij behoren en dat van hun leven deel uitmaakt. Wat weten ze van het verleden van een ster? Wat kunnen deze goedgelovigen zeggen van al deze wonderen? --- Geen woord! Zij kennen de Goddelijke wetten niet! Zij staarden zich blind op al deze wonderen……maar kwamen niet achter de waarheid. Zij kenden de diepte van hun eigen leven niet en God was voor hen mens! Maar wie is die God? Deze mensen hebben een taak volbracht, die ver boven hun eigen bewustzijn leefde.
Aan deze zijde hebben wij de concrete verschijnselen kunnen vaststellen. Men kan ons niets meer wijs maken, de wetten van god voor de kosmische evolutie hebben wij op de Maan beleefd. Wij leerden daar hoe God ons geschapen heeft en hoe de ruimte met al het leven erin geboren werd.

Jozef Rulof /Meester Zelanus “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien’.

Europese Heraut, 3e jaargang, no. 66, 1 Juni 1956.