D E    B I J B E L

 in het licht van Gene Zijde

 

21e …. En God schiep de grote walvissen en alle levende wriemelende zielen, welke de wateren overvloediglijk voorbrachten, naar hare aard; en alle gevleugelde gevogelte naar zijnen aard. En God zag dat het goed was.

De werkelijkheid is, dat de walvissen en andere diersoorten eerst in latere tijdperken ontstonden. Die tijdperken heeft alléén de Aarde gekend. De bijbelschrijvers putten steeds uit een schepping, die reeds lang af is, uit het eigenlijke nú; de wereld, waarin zij leven.
God behoefde de wateren niet te vullen, die wateren waren reeds gevuld. De ziel is op de Maan geboren. Moeder Maan schiep al deze wriemelende diersoorten, het dier heeft deze eigen evolutie moeten aanvaarden. Ook hierin verliest de bijbelschrijver zich. Zijn kinderlijke fantasie schiep voor de huidige mens een droombestaan. De allesomvattende werkelijkheid zou de bijbelschrijver naar Moeder Maan en naar de Aarde voeren. Zij is het, die aan dit leven gestalte gaf, en niet God, want de schepping had toen reeds biljoenen jaren teug een aanvang genomen. Dit zegenrijke gebeuren valt door niets te verkleinen. De bekrompenheid van de bijbelschrijvers mag in uw menselijk oog nú niet meer gerechtvaardigd worden, want deze leer voert u verre van de werkelijkheid en laat u achter in een doolhof!

 Jozef Rulof/Zelanus  “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien’.

Europese Heraut, 4e jaargang, no. 75, 1 november 1956.