D E    B I J B E L

 

in het licht van Gene Zijde

 

4.  “En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.” 

 Hoe is het nu weer mogelijk? Wat wil deze scheiding tussen duisternis en licht zeggen?  Wat hebben de bijbelschrijvers er mede bedoeld? Men spreekt hier van nacht en dag, licht en duisternis --- Licht en duisternis? --- begrepen de bijbelschrijvers iets van de Aarde? Wist men toen reeds, dat de Aarde om de zon draaide en niet de Zon, zoals werd gedacht, om de Aarde? Want dit gezegde over licht en duister heeft hiermede te maken. Dat God scheiding maakte tussen licht en duisternis, betekent dat de nacht oploste. Waardoor? Doordat de maan licht kreeg van de Zon? Hierover is geen woord geschreven. Men wist er in die tijd niets van, de bijbelschrijvers moesten nog ontwaken. Eerst eeuwen later werd dit vastgesteld. Toen veranderde ineens dit gezegde van de bijbelvertellers, doch niemand op Aarde durfde deze onwaarheid te weerleggen. Thans komen Gods afgezanten naar de Aarde en zullen de waarheid zeggen en er u van overtuigen. De bijbelschrijvers hebben die gebeurtenissen van de Aarde af vastgesteld. Hier treedt duidelijk naar voren, dat zij uit het beslaande hebben geput, uit datgene, wat reeds miljoenen eeuwen terug gereed was en nu als zodanig niets meer met de schepping van God te maken heeft. Toen de bijbelschrijvers hun werk begonnen, dachten zij geïnspireerd te worden, maar deze zielen waren niet eens te bereiken. Omdat zij nog moesten ontwaken en een lagere evolutie vertegenwoordigen, kon deze kosmische wijsheid hun niet gegeven worden. De wetenschap heeft echter inmiddels vastgesteld, waardoor het nacht op aarde werd. Dat deed God niet, die macht en kracht bezit Moeder aarde, deze planeet schept duisternis, doordat zij haar baan door de ruimte moet beschrijven en zich om haar eigen as draait.

Dat doet God voor de bijbelschrijvers en God zag, dat het goed was, er was nu scheiding tussen dag en nacht. Maar is het niet duizendmaal eenvoudiger het te aanvaarden, zoals het in werkelijkheid is geschied? De bijbelschrijvers hebben het zo in elkaar gezet, dat er niemand  achter zou komen en niemand aan de oppermacht zou gaan twijfelen. En dat deden ook wij op Aarde niet, aan deze zijde echter moesten wij de Goddelijke openbaringen aanvaarden, zoals de maan ze heeft beleefd en zoals al de andere planeten ze hebben leren kennen. De Zon ging dit proces van licht en duisternis niets aan, de Aarde bracht scheiding tussen dag en nacht en zij kreeg dit van God in handen. En al het leven van God stelde zich er op in, de nacht werd voor de mens en het dier de slaap, de rust, het zich gereed maken voor het daglicht of dagbewustzijn. 

God heeft dus nimmer scheiding gebracht tussen duister en licht; op het allereerste ogenblik, dat Moeder Aarde aan haar taak begon, zij zich ging verdichten, ontstond deze duisternis. In het begin van de schepping was er alléén duisternis. Maar naarmate de Aarde zich verdichtte en verruimde, haar baan beschreef, ontstond de nacht. De nacht in het oertijdperk van de Aarde duurde slechts een kort kwartier, toen reeds had Moeder Aarde haar baan beschreven en was er van een dag- en nachtstadium, zoals u thans kent, geen sprake. Maar de Aarde verdicht zich wordt ruimer en groter, beschrijft haar baan en sluit het zonlicht af, er is nacht over de Aarde gekomen! Maar deze nacht evolueerde als alles in de ruimte en kreeg eindelijk de eigen tijd en levensduur, die u thans kent en bezit.

Hieruit wordt ons steeds duidelijker, dat de bijbelschrijvers alleen hun eigen leven hebben gekend, maar ook niet meer. Zij kenden hun dag en nacht, keken omhoog en zagen sterren en planeten, zagen Zon en Maan, maar begrepen er niets van! Is dit zo onwaarschijnlijk! Weet men er thans alles van op Aarde? De wetenschap moet ook hiervoor nog ontwaken, zelfs uw eigen eeuw weet niet, dat de maan leven heeft gebaard, --- het zieleleven schiep voor de ruimte --- en dat de Maan met de Tweede kosmische graad en Moeder Aarde één toestand, één leven vertegenwoordigen. De geleerden weten niet waarom de Maan zich maar aan één kant laat zien en waarom Moeder Aarde haar omwenteling heeft moeten aanvaarden, doch de Meesters aan deze zijde zullen het hun vertellen en verklaren! Ook die wetten hebben wij in ons bestaan moeten aanvaarden, want wij leven er in! God legde die in onze handen!

De bijbelschrijvers vertellen u van de bestaande schepping uit; zij hebben het beginstadium van al het leven niet gekend. Hoe willen deze zielen nu weten, op welke wijze God al dit leven heeft geschapen? Dit putten uit het bestaande voert u als mens uit de twintigste eeuw op een dwaalweg. Om u de hogere bewustwording te geven is Christus naar de Aarde gekomen en gaf Hij Zijn Heilig Leven. Thans zal de gehele mensheid weten!

De bijbelschrijvers wisten niet beter, zij maakten slechts een begin en dit geschiedde even voor het ogenblik, waarop Gene Zijde aan het Huis Israël zou gaan bouwen. En ook al zouden deze mensen het gevoel hebben gekend om voor Gene Zijde als instrument te dienen, dan nog had Gene Zijde hen niet kunnen bereiken, omdat het bewustzijn van deze mensen geweigerd zou hebben dit te ontvangen.

De Bijbel spreekt dus over een nacht, die er reeds is, maar de bijbelschrijvers weten er geen raad mee. Ze zeggen iets, dat eigenlijk geen betekenis heeft, ze weten het niet, ze lopen vast in deze ruimtelijke wetten, ze verliezen zichzelf! De Bijbel spreekt dan ook over iets, dat reeds miljoenen eeuwen af is. Dit is in strijd met de werkelijkheid, want God had toen niets meer te scheppen, de Goddelijke schepping was al biljoenen eeuwen gereed. Het embryonale leven was toen reeds tot het menselijke bestaan gekomen. Dit embryo vertelt al van de schepping van God, maar is zich van die werkelijkheid niet bewust.

 

 Jozef Rulof/Meester Zelanus  “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien”.

  

Europese Heraut, 3e jaargang, no. 52, 1 November 1955.