D E    B I J B E L

 

in het licht van Gene Zijde

 

 

 

6. En God zeide : Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dat make scheiding tussen wateren en wateren !

 

Hoe moet dit worden begrepen? Wat hebben de bijbelschrijvers hiermee precies bedoeld? Is het voor u duidelijk? Wij zouden een veronderstelling kunne opbouwen, maar dat is de bedoeling niet. Toch zijn de bijbelschrijvers aan te voelen, indien u het verloop van de schepping wilt volgen.

Het kan alléén betekenen, dat uitspansel en Aarde, wateren en zeeën een eigen bestaan hebben gevonden. De scheiding tussen wateren en wateren is alleen door de verdichting van de Aarde ontstaan. Moeder Aarde zweefde echter in de Goddelijke ruimte en kreeg haar eigen taak en plaats toegewezen. Door haar verdichting en vergroting ontstond er ruimte die door het aardse wezen waargenomen werd en van het eigen leven uit gezien is. Door niets tonen de bijbelschrijvers aan, dat God het ruimtelijk begrip aan de planeet Aarde vastgelegd heeft, aan haar heeft geschonken door de Goddelijke evolutie, want dan beleven wij als mens een geheel ander en waarachtiger proces dan u thans gegeven is. Dit zegt u, dat tussen de wateren en de wateren ruimte aanwezig is, maar die ruimte houdt met het kosmische verband rekening en is daardoor ontstaan. Dat wil tevens zeggen, dat het ene leven door het andere is ontstaan en dat de ene levensgraad verder is dan de andere, of die bewustwording nog moet bereiken. Toen deze scheiding van de Aarde is vastgesteld, was de Goddelijke ruimte reeds gevuld en tevens gereed. Toen de Maan haar verdichting kon beginnen, was er ook van scheiding nog geen sprake, zodat gij kunt aanvaarden, dat de bijbelschrijvers ook dit gezegde uit hun eigen dagbewuste ik-leven hebben neergeschreven. Alles wijst op het bestaande uit hun eigen leven en hun gedachtekring, op niets en niets anders, en toch gaat dit door voor het Goddelijke woord? Het uitspansel volgde voor ons als mens een eigen evolutie en die evolutie voert u tot dit gezegde, namelijk --- er zij scheiding tussen dag en nacht en tussen de wateren en de wateren. Op dat ogenblik was Moeder Aarde reeds miljoenen eeuwen oud en had zij haar puberteitsjaren reeds beleefd!

Het waarnemen van de bijbelschrijvers is voor u het beleven van het onwaarschijnlijke, dat niettemin uw leven kan vernietigen. Het gevaar van al deze gezegden heeft miljoenen mensen van hu nacht- en dagrust beroofd en ze verloren hun geloof in God erdoor. Dat de bijbelschrijvers naar hun eigen hemel hebben gekeken, behoeft ons niet te verbazen, want zij leefden in deze ruimte, doch zij voelden zich aards, vast door de Aarde omklemd, en hun gevoelseven weigerde de Goddelijke wijsheid te ontvangen. Hiervoor moesten al deze zielen nog ontwaken. Maar in deze gevoelsruimte zijn zij aan het neerschrijven van hun gezegden begonnen. Wij breken hen niet af, zij hebben naar eigen vermogen de hun opgedragen taak verricht en deden alles om er van te maken wat er van te maken viel. Maar de mensheid wordt er niet wijzer van, hun gezegden zijn volkomen duister!

De wateren kregen een eigen verdichting, ook de Aarde en het Uitspansel, God scheidde niets, het één maakte zich van het ander los en beleefde het voorgeschreven bestaan volgens de Goddelijke wetten in de ruimte. Elk orgaan kreeg een eigen betekenis en het had een eigen evolutie als ziel en als stofleven te volbrengen. Ook de wateren met daarboven het Uitspansel.

Eerst is de ruimte ontstaan, de wateren daarna, en die wateren beleefden de eigen levenswetten, de verdichting, waarin al het leven reeds aanwezig was.

  

Jozef Rulof/Meester Zelanus “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien”.

 

Europese Heraut, 3e jaargang, no. 54, 1 December 1955.