HET WOORD   waarnaar de gehele mensheid hunkert

          is nu voor eeuwigdurend vastgelegd !

  

Ontegenzeggelijk wachten miljoenen mensen op Aarde op het verlossende Woord. HET Woord, waarop zij hopen eindelijk te kunnen bouwen, dat zij zonder schroom kunnen aanvaarden en waarin zij kunnen geloven en de vertrouwen; het woord, dat hen de heilige bezieling en het bewustzijn kan schenken van de realiteit --- van de Al-tegenwoordigheid van een hoger gezag, van een Goddelijke leiding, die niet slechts in de verbeelding van enkele goedgelovigen bestaat, maar een tastbare, waarlijk verblijdende werkelijkheid is !

 Op dit Woord, op deze zekerheid wachten sinds eeuwen miljoenen mensen, zelfs ook velen van hen, die beweren in ’n god en ’n Hiernamaals te geloven en tot de kerken behoren. Ook zij horen bij die wachtende, die innerlijk luisterende, die zich ondanks hun omgang met preken en missen waarbij zij de God van al het leven hoopten te ontmoeten, tenslotte toch afvroegen: waarop steunt mijn geloof nu eigenlijk?
Is het de bijbel en vermeldt deze inderdaad de waarheid? Heeft Christus werkelijk geleefd? Bestaat er een Hiernamaals en waarom is de wereld dan zo --- zoals zij is: zonder liefde, zonder rechtvaardigheid, zonder vrede en Godsvertrouwen? Waarom? Is de afbraak om ons heen slechts duivelswerk en heeft God op aarde niets te vertellen?
Moeten wij dit allemaal zo maar blindelings aanvaarden en geloven, dat er ergens een Heere bestaat die ons Zijn “laatste oordeel” zal toedienen, als het Hem in de zin komt, om met de aarde --- de aardse mens definitief af te rekenen? Is deze God een rechtvaardige God, die de “geluksvogel” alles geeft, en de andere --- de pechvogel dan --- niets?! Die de stommiteiten naast de bezieling kan plaatsen en het diefachtige naast het altruïsme, die het ene kind naar het oerwoud stuurt en het andere op een troon plaatst?
Het zijn juist de gevoelige, de in wezen gelovige mensen, die met zulke vragen rondlopen en te worstelen hebben, al gebeurt dit in de stilte, als de opgelegde zekerheid van hun geloof eventjes een gat krijgt, het leven zorgt daar wel voor, en ze beginnen vragen te stellen, waarop hun geen dominee of priester, geen godgeleerde of wijsgeer een bevredigend antwoord kan geven. Want --- de theologische terechtwijzing,
“dat het tot de deugden van het geloof behoort en God welgevallig is, dat de mens geen vragen stelt omtrent Gods persoon. Zijn bestuur, Zijn kerk: dat des mensen lijden en onwetendheid naar Gods wil en wijsheid zijn opgelegd; dat de staat van nederigheid, waarin de gelovige heeft te verkeren, dit vragen in feite verbiedt”--- en de mens dus klakkeloos alles aanvaarden moet, wat hem zijn kerkelijke overheid over God en Christus weet te vertellen, zal op de duur geen vragend bewustzijn meer kunnen bevredigen, noch door hem aanvaard worden.
Het vragen om het antwoord op dit alles zal blijven aanhouden en als de mensen uit de kerken weglopen, dan zijn het voornamelijk deze redenen, het onvermogen van hun voorganger, om voor al die tegenstrijdigheden, waarin het kerkelijke gezag zich heeft verstrikt en waar hun geloofsbelijdenissen getuige van zijn, een bevredigende en christelijke verklaring te kunnen geven. Lang genoeg heeft zich de steeds zoekende mens aan het onbewustzijn van zijn eigen kerkelijke instelling te pletter moeten lopen, en meestal werd hij dit zich eerst na zijn dood --- zijn overgang --- bewust en is zijn ellende niet meer te overzien.
De Eeuw van Christus roept de kerken het halt toe!
“De kerk moet nu ophouden ’t leven van God af te breken, want de kerk van CHRISTUS wordt niet blijvend opgebouwd door stoffelijke en geestelijke moord! ( Jozef Rulof )
Dit zijn geen prettige geluiden voor hen, die hun ziel en zaligheid aan de kerk hebben toevertrouwd, of zelfs dienaren dezer instelling zijn, en het is begrijpelijk, dat om het behoud van dat “voetstuk kerk” in de toekomst nog hartstochtelijk zal worden gestreden.
Dit proces hoort bij de geestelijke evolutie van de aardse mens en heeft zeer zeker niets te maken met een “tijdverschijnsel”! Het leeglopen der kerken is géén tijdverschijnsel, tenminste niet in die zin, dat er straks weer betere tijden voor de kerken zullen aanbreken, waar dan de afvalligen berouwvol in de schoot der vergevensgezinde moederkerk terugkeren.
Als de toenemende onkerkelijkheid ’n tijdverschijnsel is, dan betekent dit verschijnsel in ieder geval voor het mensdom een stap vooruit --- en niet terug! Dat de kerk zich tegen deze bewering met kracht zal verzetten, is meer dan begrijpelijk. Want een herzien van haar leerstellingen zal onherroepelijk ook tot een radicale herziening van haar maatschappelijke “opmaak” en positie moeten leiden en dit zal de aardse kerkbesturen niet meevallen.

De Eeuw van Christus heeft geen theologische faculteiten meer nodig, om het mensdom in de geest te laten ontwaken, geen kathedralen, geen paleizen en kloosters. Deze stenen pronkjuwelen van aardse godenaanbidding zouden het best gesloopt kunnen worden, want zij zin niets anders als reusachtige mummies, grafkelders, waarin nóóit boven de koude gewelven uitkwam. Het bleef er in hangen, door al de eeuwen heen, loodzwaar en kil; het drong in de aura der zandstenen, van het graniet en marmer, en het werd zelf steen onder stenen en wie er gevoelig voor was haastte zich, om weer buiten in het licht en op adem te komen.

Denk u heus, geachte lezer, dat zich in deze sfeer van monotoon geprevel en terechtwijzend gebulder, crucifixen en altaren, wierookdampen en glas – in – lood - heiligen, ’t Goddelijk Al laat vertegenwoordigen? Het moet inderdaad wel de suggestie en gewoonte van eeuwen zijn, afkomstig van de heidense godenaanbiddingen en bezweringen,  --- een geestelijke sleur, een deel van het maatschappelijke beeld, zoals er soldaten en kazernes zijn, waaraan iedereen is gewend en er helemaal niets verkeerds meer in ziet, dat zijn kinderen verplicht worden, om het doden van een ander leven te leren en dit als een zedelijke plicht te moeten beschouwen, --- om daarmee zo vertrouwd te geraken, dat men het volslagen ongerijmde en droevige van deze “tempeldiensten” niet eens meer voelt, laat staan haar geestelijke afbraak beseft.
Wie “het anders kent”, wie zelf slechts een flits van de Goddelijke wijsheid en schoonheid heeft kunnen en mogen ontvangen, en daarvoor behoeft men geen “heilige” te zijn, maar slechts een gezond voelend en denkend mens die van de waarheid, van alles houdt, zal terstond beseffen, dat onze geloofsbelijdenissen en godsdiensten door zuiver aardse denkbeelden, waartoe grotendeels ook de bijbel behoort, zijn gevormd en met de realiteiten van een Hiernamaals weinig of niets te maken hebben. Als het volle besef hiervan eens tot het mensdom zal doordringen en een begin is er al, kunnen de kerken haar deuren voor goed sluiten, of --- zij moeten de voor hen blijkbaar nieuwe heiligheid aanvaarden en met een radicale schoonmaak in hun eigen heilige huisjes beginnen en zoals gezegd, het zal hen dan niet meevallen.
 Maar omdat de kerk het geestelijke leven van de mens uit naam van Christus opeist, zich dus tot Zijn plaatsvervangster uitroept en in goddelijke zaken, in zaken van het Hiernamaals, als autoriteit en deskundige optreedt wordt zij door De Eeuw van Christus ook het eerst “op het matje geroepen”! “Wij zetten thans recht, wat door de mensheid scheef geslagen is en waaraan de kerk schuld heeft”, zegt Jozef Rulof in “De Volkeren der Aarde”; en deze profeet werd gesteund en geautoriseerd door de gehele Ruimte! HET WOORD waarnaar de gehele mensheid hunkerde, is nu voor eeuwigdurend vastgelegd. Het is DE Boodschap voor De Twintigste Eeuw, rechtstreeks vanuit de hemelen ontvangen en schenkt ons alle inlichtingen omtrent ons menszijn het leven na de dood, de wetten, waaronder wij allen geplaatst zijn, God en Christus en de wonderen der Schepping! U kunt nu zelf nagaan, hoe armoedig, primitief en onbewust de leerstellingen , de gedragingen, van uw kerk zijn. U kunt nu vergelijkingen maken, want De Eeuw van Christus breekt niets af, zonder daarvoor iets beters in de plaats te stellen. De mens hoeft nu niet meer te geloven, maar hij kan het weten. De “mystieke” achtergrond van zijn bestaan als ziel, geest en stof., is geen occult geheim meer en hij hoeft ook geen spiritist meer te worden, om achter de schermen van zijn stoffelijk bestaan te kunnen kijken. Dit zijn heilige waarheden, geachte lezer en als de mens zich niet zo blind staarde op zijn zogenaamde kennis van stoffelijke zaken, als hij scherphorende was en niet zo bijster arm aan gevoel, dan konden wij allen reeds verder gaan en de Eeuw van Christus een zichtbare gestalte geven, zoals het vooral van ons --- die naar het meesterlijke WOORD mochten luisteren --- verwacht wordt!!
Wij zouden niets liever willen, dan deze geesteswetenschappelijke “reformatie” met minder felle bewoordingen te introduceren; wij zouden bijvoorbeeld op haar eigenlijke inhoud willen ingaan, op haar machtige - bezielde realiteiten en wonderbaarlijke wijsheden, waarmee De Eeuw van Christus haar intrede heeft gedaan. Geen krant zou er in jaren over uitgeschreven komen, want er is geen enkel hoekje van ons geestelijk leven, of het nu het onderwijs, kunsten en wetenschappen betreft, of onze zeden, geloofsbelijdenissen, huwelijk, geboorte en dood, of het “mysterie” van onze slaap, dat niet door deze reformatie op cosmische afstemming een belangrijke zuivering of wel verdieping ondervindt.
Maar wij zien onze taak voorlopig als gangmakers voor  JOZEF RULOF en zijn werk. Dat wij deze taak niet door fluwelen praatjes hopen te vervullen, zal ons niemand kwalijk kunnen nemen: noch leent zich deze tijd er voor, noch de waarlijk dramatische inhoud en ernst van zijn leer en werk. En dat wij voor deze heerlijke bezieling alles over hebben en er diep dankbaar voor zijn, zult u misschien --- geachte lezer, reeds opgemerkt hebben.  

 B. v. Baden  

Europese Heraut, 3e jaargang, no. 59, 15  Februari 1956.