Het Kind van Moeder Crisje.

 

Jozef Rulof werd in de winter van februari 1898 te 's Heerenberg, een dorpje in de Gelderse Achterhoek, geboren. Al tijdens de groei in moeder Crisje waren de Hemelingen, die hem naar de aarde zonden, actief en hielden zij zijn ziel wakker, opdat het zenuwstelsel straks gereed zou zijn om de macht van het in de sferen van licht opgebouwde gevoelsleven te kunnen verwerken. Zij zijn het, die al kort na zijn geboorte de merkwaardigste verschijnselen veroorzaken, welke zelfs door de meest kritische  onderzoeker slechts langs bovennatuurlijke weg verklaard kunnen worden. Deze wonderen zouden het kind zijn verdere leven blijven begeleiden. Hij zwierf in gedachten door velden en bossen, vergezeld van een licht uitstralende persoonlijkheid, die door anderen niet gezien werd, maar voor het kind even reëel was als zijn vader en moeder. Dit wezen zei een Meester te zijn in het leven na de dood, Meester Alcar. Hij komt op gezette tijden los van het lichaam en kan dan op de krachten van zijn meester het leven van de geest verkennen. Door deze astrale wereld is het kind in staat voorspellingen te doen, die griezelig nauwkeurig uitkomen, en zieken te genezen, alleen door het opleggen van handen. Om het kind gereed te maken voor de problemen, die het later kan verwachten, legt Meester Alcar het strijd op. Zo beleeft het op zevenjarige leeftijd het drama van Golgotha. De beelden, het verdriet, de pijnen, die het kind beleven moet, dreigen het te verpletteren, maar juist als het op het punt is ineen te zinken verschijnt Meester Alcar en sterkt het met zijn liefde. Jeus, zoals zijn jongensnaam luidt, trekt de kinderen uit het dorp op en speelt met hen op de wolken, hij zweeft meters hoog boven de grond en praat met dieren en de bloemen, die hun innerlijk blootleggen.
Van het elementaire onderwijs op de lagere school neemt hij weinig op, Meester Alcar wil dit leven vrijhouden van het gif, dat het aardse weten is voor de ziel, die de Goddelijke Orde wil kennen en uitdragen. Later stuurt hij Jeus naar de stad en daar zullen zijn rijke geestelijke gaven zich ten volle ontplooien!
Op het ogenblik, dat Meester Alcar dit wenst, maakt hij in zijn instrument vijf gaven scherp bewust: het helderzien, het helderhoren, het heldervoelen, het schilderen en tekenen, alsmede het genezen. Nu begint hij met de opbouw van de psychische en fysische trance, de verheven toestand, waarin de Ingewijden hun openbaringen ontvingen, en die het André mogelijk zal maken los van zijn stoffelijke stelsel op eigen kracht en volbewust de ruimten Gods te bereizen. Met behulp van Zijn Meester, trad hij honderden keren bewust uit zijn stoflichaam om zo de ruimten Gods te bereizen en te beleven, waarna het op schrift werd gelegd met maar één doel: de mensheid tot geestelijke ontwaking te brengen. Door zijn Meesters geholpen legt André zich toe op het genezen van zieken, hij stelt onfeilbare diagnoses en maakt patiënten beter, die door hun artsen opgegeven zijn, krankzinnigen herkrijgen het bezit van hun vermogens, duivelen worden uitgedreven. Voorts schildert hij in enkele jaren honderden schilderijen - kunstwerken, die in een uur, anderhalf uur gereed zijn en door experts hoog worden gewaardeerd. En intussen werken de Meesters aan hun belangrijkste taak: het vastleggen van hun in de astrale werelden opgedane wijsheid ten aanzien van Gods scheppingen, waardoor zij voldoen aan het bevel van hun Eerste Mentor, Jezus Christus, om de aarde de Openbaringen te schenken, die Hij haar eens beloofde. In de periode van 1934 - 1945 ontstaan zo negentien boeken, waarvan de laatste zes gedurende de hongerwinter in een tijd van vier en een halve maand. De eerste delen danken hun titel "Een blik in het Hiernamaals", aan de beschrijving van de hellen en hemelen. Daarin wordt o.a. een duidelijk en onafwijsbaar antwoord gegeven op de kwellende vraag van miljoenen, of God als een Vader van Liefde het door Hem naar Eigen beeld en gelijkenis geschapen leven voor eeuwig aan het vuur kan prijsgeven, en tevens rijst uit die hoofdstukken een machtig en hoopgevend beeld op van de hemelen als reële, sublieme Werelden, waarin de zaligen hun liefde, wijsheid en bezieling onverpoosd aanwenden voor de geestelijke vorming van de stoffelijke mensheid. In "Zij, die terugkeerden uit de Dood" beschrijft André door zijn Meesters de wetten van het stervensproces en leert hij de mens de dood als een vriend te aanvaarden, als de helper, die hem doet evolueren naar een nieuw, altijd bewuster bestaan. Met het werk: "De Kringloop der Ziel"krijgt de lezer een machtig beeld van het ontwikkelingsproces, waarvan hij deel uitmaakt en door hetwelk hij langs telkens nieuwe incarnaties naar Zijn Goddelijke Staat opklimt. Een voor de Wetenschap belangrijk boek volgt met: "Zielsziekten van Gene Zijde bezien", waarin de graden van de bewuste en onbewuste krankzinnigheid, de bezetenheid en de homoseksualiteit  logisch en helder verklaard worden. Nu staat dit gezegende instrument voor de miljoenen wetten van Gods scheppingsproces. De Meesters leggen deze reizen vast in de trilogie: "Het Ontstaan van het Heelal".We maken de opmerking, dat elke zin van deze samenvatting een wereld wil betekenen. Wanneer u deze hebt afgetast, verkend en beleefd, moet u duidelijk zijn, welke ontzaglijke wetten dit ongeschoolde kind, dan nauwelijks een brief kon schrijven, en een kwast kon vasthouden, te verwerken kreeg. De Bijbelse profeten zonken al ineen onder de macht van het weinige, dat hun mond te zeggen kreeg.
Waaruit put hij de kracht om het geweld van dit bewustzijn te dragen? De beantwoording van deze vraag voert ons naar de tempels van het Oude Egypte, de bakermat van de mystiek, het land, waarin het contact met de astrale werelden als heilige realiteit werd aanvaard. Daar was het, dat André zich op het verstaan en het bezitten van de occulte wetten toelegde. Deze wilde hij beheersen, want zij zouden hem de vleugels bezorgen, door welke hij zijn vlucht naar het Absolute kon maken. Het ene tempelleven na het andere gaat voorbij, hij eist alles van zichzelf, maar bezwijkt telkens en telkens. Hij foltert lichaam en geest, gaat door waanzin en bezetenheid, in zijn strijd om de wetten van het lichaam te overwinnen en zijn ziel tot een koninklijke vogel te maken, die de ruimten beheerst en in God zijn nest vindt. In zijn laatste Egyptische leven als Dectar, priester van Isis, bereikt hij dit meesterschap bijna. Met zijn leerlingen, onder wie er één is, die in de gaven verder is dan hijzelf, vecht hij tegen de duisterlingen, die de magie aanwenden om de eigen hartstochten te dienen. Hij helpt mee om de uit de hemelen ontvangen wijsheid te versluieren, later, veel later zal hij helpen haar gaven en stralender aan de wereld terug te geven. Maar dan moet hij zich eerst nog dieper afgebroken hebben, want wie het Al, dus God, wil bezitten moet zichzelf kunnen verliezen. En dit wil hij, bezeten van Zijn Schepper als hij is. Hij gaat de leeuwenkuil in en beklimt zingend de brandstapel voor Hem, in Wie hij God volmaakt weerspiegeld ziet: Christus. Voor deze trouw, deze toewijding zal hij beloond woorden, zo schitterend als alleen de Goden dit vermogen!
De leerling uit Dectars Isisjaren Venry, legt hun belevenissen vast in het boek "Tussen Leven en Dood". Zijn voorspelling, dat Dectar eens zijn vleugellamheid zou overwinnen en hoger zou vliegen dan hij, is uitgekomen. Intussen is de gewelddadigste oorlog aller tijden (1940-1945) uitgebroken, wat zijn Meesters hem reeds in 1935 voorspelden, is een gruwelijk feit geworden. Nu ontvangt Jozef Rulof het boek: "De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien" of, zoals het in Amerika is gaan heten:  My Revelations to the Peoples of the World". Hierin zijn voorspellingen opgenomen over het verloop van de wereldbrand (1940-1945), die later alle door de feiten bevestigd worden en die bewijzen dat André's leven in de Almacht van de Geest is opgetrokken. Of zou hij op eigen kracht en onbezield in de toekomst hebben kunnen denken? Het boek bevat het klare antwoord op de verpletterende vragen, welke gedurende de strijd in elk denkend mens opkwamen en waarop geen kerk, geen faculteit vermocht te antwoorden, het stelt de Bijbel in een nieuw licht, het verklaart de mentaliteit van de volken en geeft profetieën omtrent het verloop van de wereld. Dan schrijven de Meesters de twee delen "Geestelijke Gaven" (nu in één band), waarin zij de occulte wetten analyseren en aantonen, welke de gaven zijn, die André door hen bezit. Tevens geeft dit boek een grote waarschuwing voor de gevaren welke er zijn bij het zich toe eigenen van Geestelijke Gaven. Het boek "Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven" is een fijn en wijsgerig geschreven boek, waarin een soldaat vertelt over zijn sneuvelen in de Grebbelinie, zijn overgaan, aankomen en ontwaking in de astrale wereld. De inleiding op "Maskers en Mensen" begint met de volgende woorden: "Als inleiding van deze zo wonderlijke "Trilogie" die ons door een "Gek" geschonken werd, zou ik willen beginnen met:
"Zegt u na lezing van deze trilogie nog dat alle "gekken" abnormaal zijn? Ik durf er niet maar aan te denken".

 Deze "Trilogie" laat ons de duizenden maskers zien die wij als mens dragen en hoe de mens  door te leren het hoofd te buigen, deze maskers afrukt.  En nog is de wijsheid van het bewuste Astrale ik niet uitgeput. Voorgelicht door Christus en de Zijnen boren de Meesters steeds dieper in het onmetelijke Goddelijke Scheppingsplan. Hiervan geven zij verslag in de werken over de Kosmologie. Op deze reizen door de Macro- en Microkosmos beleeft André het allerlaatste: God. 
Op verzoek van veel mensen verscheen op het eind van zijn werkzame leven een autobiografie in drie delen "Jeus van moeder Crisje, deel I, II en III. Deze boeken nemen u mee op reis, vanaf de geboorte van Jeus tot en met zijn laatste reis naar Amerika. Aan het einde van deel III "Jeus van moeder Crisje" staat geschreven: "Thans ons laatste woord voor de "Trilogie", Jeus van moeder Crisje.
Is het niet waar, als wij zeggen:
Jeus sloeg Magere Hein z'n kroon van het hoofd?
Jeus heeft bewezen, dat er géén dood is?
Jeus kan u verzekeren, dat God niet verdoemt?
Jeus zegt: "Achter de kist leeft u verder en daar zult u kleur bekennen!"

 


Vanaf juli 1945 traden de Meesters door hun instrument in het openbaar. Honderden lezingen werden er gegeven. Ook waren er contactavonden. Op deze avonden konden de mensen vragen stellen. Belangrijke levensvragen, welke nu nog actueel zijn, kwamen naar voren, werden besproken en ontleed. De lezingen waren stuk voor stuk colleges, colleges van de Universiteit van Christus. Van een aantal seizoenen zijn de lezingen en contactavonden vastgelegd met de "wire-recorder" de voorloper van de bandrecorder. Zo konden van de lezingen er 57 in drie boeken worden vastgelegd, zoals hier eerder beschreven staat, elke lezing is een college van de Universiteit van Christus. Met de opnamen van de contactavonden zijn er zes boeken te vullen. Vragen, levensvragen, die u de grote diepte van het "leven" laten zien, uw inzicht en kennis zal verdiepen en verrijken.
We zijn aangekomen in het najaar van 1952, november om precies te zijn. Hier was het dat Jozef zijn stoffelijke ogen sloot en zijn taak aan Gene Zijde aanvaarde.
We eindigen met een paar woorden van Meester Zelanus uit "Jeus van moeder Crisje deel III":
"Lees de boeken van Jeus en u hebt de zekerheid, breek niet langer af wat door onuitputtelijke liefde werd opgebouwd, het is uw eigen leven! Jeus roept u toe en kan nu zeggen:
"May God bless you all!"
Dit, mijn broeder André... Jeus van moeder Crisje, is onze kroon op je menselijke hoofd en deze, geloof het .... dat zeggen je meesters - slaat géén mens van je hoofd, ze zijn er niet toe in staat! Die fundamenten hebben wij tezamen gelegd".  

 

Door Jeus van moeder Crisje aan te voelen, wordt het duidelijk, dat hij nimmer goed zal vinden, dat men hem straks een wit laken om zijn schouders hangt of op een voetstuk plaatst, omdat hij door zijn eenvoud en heilige plichtsbetrachting waaraan meester Alcar reeds in zijn jeugd gewerkt heeft, het kind van Crisje zal blijven!
De Spiritualisten en vrienden, kunnen dat nu reeds vaststellen, zij zijn niet in staat om hem te beïnvloeden, hij trapt dat stuntelige ding onder zijn voeten vandaan. Wie ondanks alles toch proberen zal om, naar de eigen gevoelens en inzichten, zijn leven opdringerig te overheersen, krijgt dan zijn verkregen persoonlijkheid te zien en zal hij weten te handelen zoals wij het van hem gewend zijn. ook daaraan werkt meester Alcar! Wil Jeus zijn universele taak volgens de wetten van der ruimte afmaken, dan zal hij een gelukkig kind moeten blijven.
Máár, hij aanvaardt het moeilijkste werk op aarde, omdat het nuchtere Westen niet open staat voor de Metafysische wetten en van occulte wetenschap niets weet. Dat gevoelsleven maakt af wat het niet kent, kraakt alles, bezoedelt het en krijgt hij straks op zijn dak.
Wie hem echter volgt en zijn leer aanvaarden kan, krijgt een machtige ruimte te beleven en een geestelijk bewustzijn, doch wie hem door de eigen gevoelens en gedachtensfeer wil overheersen, staat voor meester Alcar en wil zeggen: ook zijn volgelingen hebben de meesters te aanvaarden. Ook van hen eisen de meesters alles, de volle overgave, plichtsbetrachting, liefde en eenvoud, het “willen dienen”!
En dat wordt het inzetten van het levensbloed, bewust, voor honderd procent, omdat het nu gaat om Goddelijke wetten en het geluk, de geestelijke evolutie voor de mensheid! Als beloning krijgen zijn volgelingen een geestelijke bewust leven, een andere en betere liefde, ja een sterke persoonlijkheid. En dat weet Jeus, géén  mens die hem volgen wil kan er aan ontkomen en ééns zal elk mens er aan moeten beginnen, want al het leven heeft deze weg te volgen! En deze weg is zeker, die gaat bewust door de “kist”, maar daar achter leeft de ziel als een machtig mooi wezen voort en gaat verder, steeds hoger totdat het Goddelijke “Al” is bereikt, om daar de God van al het Leven voor miljoenen wetten te vertegenwoordigen!
En een heilige wordt Jeus ook niet! Omdat hij zal leren, dat dit heilig doen voor de aarde niets te betekenen heeft, armoedig en zielig gedoe is. Hij zal doodgewoon blijven als mens, maar de zaken van de aarde eerbiedigen. Je zult nooit kunne zeggen, als je hem later ontmoet: ik had zo voor me zelf gedacht, die man draagt toch wel een wit laken, is ontzettend ernstig en doet mystiek, maar dat is mij tegengevallen. En wat u dan tegenvalt, dat bent u zelf! Ge wilt hem zien door uw eigen bril en bewustzijn, maar dan ziet u hem verkeerd. U zult hem zien met zijn hoed op halfzeven, jongensachtig, opgewekt, speels, omdat zijn meester het zo wil. Want wat hij te dragen krijgt, is ontzagwekkend, maar wij spreken elkaar nader.
Maar van binnen is hij heilig, zo harmonisch en in harmonie met zijn meester, als geen mens in uw kring en ruimte is, want voor  hem is alles gevoel, doch vooral opgewektheid, natuurlijke zelfstandigheid, het open zijn zoals ook moeder natuur is, want Jeus heeft niets te verbergen, doet niet dik of hoogmoedig, hij kent die eigenschappen niet meer! Hij weet het, de heiligheid van de aarde zijn voor uw wereld franjes, opschik, kale drukte, goeden kalfsallures, kijk maar om u heen en u weet het. En dat is niks voor Jeus, hij is angstig voor rijkdom, hij kent die levens, hun gegolf en gepraat raakt alleen hun armoedige bewustzijn, hij kijkt door die ellendige dikdoenerij heen en trapt er op. In géén geval mag hij zijn opgewekt karakter verliezen, want…..daardoor verzet hij bergen, dat wordt u straks duidelijk. Wij leren hem, dat de sferen van licht opgebouwd werden door het Kind van Onze Lieve Heer, en dat is het paradijsachtige gevoelsleven, zo gelukkig, zo bewust, altijd dragende, denkende, van ophoping van gedachten, van verwaarlozen van karaktertrekken is er geen sprake meer en thans leeft de mens anders, is steeds in harmonie met de oneindigheid, waarvoor Jeus dient! Zou hij zwaarmoedig worden, dan breekt dat zijn karakter immers, ook Christus was een Goddelijk gelukkig kind!
Wat deze “Jozef” zoals men hem noemt in de stad, beleven zal, dat hebben de groten van uw wereld nimmer gekend. De wetten zullen het u vertellen, die Jeus ziet en beleeft, en hem door de engelen worden verklaard. En reeds is hij Ramacrisnha voorbij gerend. Dit heeft Ramacrisnha niet beleefd, omdat hij nimmer astrale hulp en ontwikkeling heeft willen aanvaarden. Wat wist Socrates van deze ruimte, waarin Jeus nu leeft, af? Niets! Heeft Plato dit gekund? Néén Heeft uw Krishnamurti dit beleefd? Néén, want men zond dit leven naar uw universiteit en daar zijn deze wetten en machten niet te leren, daar kent men deze wetten niet! Het is allemaal doodeenvoudig, omdat deze wijsheid alléén ontvangen kan worden en wie deze ontwikkeling niet bezit, komt nimmer achter de kist vrij van de stoffelijke wetten, de stelsels, daar is een enorme studie voor nodig en die ontvangt hij uit het leven na de dood, door de hoogste meesters! Het is waarheid……Jeus is een begenadigd instrument, een “PAULUS” VOOR DEZE EEUW !