Afstotelijk “zelfportret” 

van de moderne oorlog

 

 

Terwijl wij hier maar van de zomerzon genoten of misschien piekerden over een eksteroog, hebben kenners van de moderne oorlogvoering in Amerika al 29.000 man geoefend in het weerstaan van een verhoor in een vijandelijk gevangenkamp. De “Newsweek” van 12 September vertelt in een artikel hoe dat toegaat. Het artikel telt maar ongeveer 2000 woorden, doch het is voldoende om de lezer er van te doordringen, dat het zelfportret van de moderne oorlog trekken vertoont van een afstotelijkheid waarbij sommige nachtmerries tot kinderachtige gruwelsprookjes verbleken.

Op de zeventiendaagse “hardingscursus” waren dokters voortdurend bij de hand. In het bijzonder de psychiaters hebben studiemateriaal kunnen opdoen, dat in z’n soort iets nieuws had. Er werden scènes opgevoerd, die iedere minister van O., K. en W. op ongekende wijze in verwarring zouden hebben gebracht, indien zij door een schilder op doek, door een dichter op rijm of door een schrijver op papier waren gezet.

Hier volgt een samenvatting van wat deze eerste in de wereldhistorie bekend geworden grootscheepse hardingsoefening van manschappen tegen vijandelijke “hersenspoeling” onder meer inhield, in het jaar 1955, een jaar van hoogconjunctuur en ontspanning in de internationale relaties:

De mannen moesten uren verblijven in een te lage en te smalle houten koker, waar zitten, staan of liggen niet mogelijk was, zodat ze er na hun bevrijding met verstijfde spieren uitvielen als groot speelgoed.

Ze werden ervan overtuigd, dat maden voedzame eiwitten bevatten, zodat men ze in een hongerkamp met het voedsel moet mee eten, en dat rattenvlees uitstekend smaakt, hoewel de kop wegens aanwezigheid van vergif zich niet voor consumptie leent.

Tien dagen brachten ze door in de Sierra Nevada; ieder had slechts voedsel voor twee en een halve dag. Een officier met een snijwond in de arm moest kiezen of hij de wond zelf met naald en draad wilde hechten of zich zonder verdoving laten helpen door een arts van de tegenpartij.

Tegen het einde van die tien dagen moesten de uitgeputte manschappen pogen aan hun goed gevoede bewakers te ontsnappen, hetgeen de meesten niet gelukt, waarna deze aan elkaar geboeid een “dodemars naar het concentratiekamp” moesten maken. Hier werden ze aan het stenen kloppen gezet. ’s Nachts moesten ze zonder dekens slapen. De temperatuur daalt er in zomernachten tot bij het vriespunt. Te eten kregen ze rauwe spinazie in lauwe koffie en ongekookte spaghetti.

Sommige moesten urenlang in een put, drie meter onder de grond, met het water op schouderhoogte. Of in een metalen zweetkamer, te klein om te zitten, te liggen of te staan, waar de zon op scheen, waar bewakers voortdurend met de kolven van hun geweren op beukten. Ook wel knielen op een bezemsteel, met zware keien in de handen.

Anderen kregen schunnige praat te horen over de vrouw, wier foto in hun ransel was gevonden. Schimpscheuten over ras, godsdienst of nationaliteit. Een man met een verminkt gezicht begon te huilen toen hem voor de zoveelste maal gezegd werd dat je met zo’n kop nooit een vrouw kunt krijgen. Er was een zware bewaker met een Feldwebelgezicht, die de tengerste gevangenen moest uitzoeken om hen bij tijd en wijle tegen een muur te smakken.

  

Menselijkheid verloren

Al deze morele en fysieke exercities werden op het trainingsrooster geplaatst naar aanleiding van wat er in de rode gevangenkampen van Korea is geschied. Trainingsofficieren hebben er op gewezen, dat de gewapende conflicten hun laatste rest van menselijkheid hebben verloren, en dat er geen zachtzinnige manier bestaat om de manschappen voor te bereiden op de realiteit van de gevangenschap.

Dit prepareren van mensen met het oog op het onmenselijke beoogt de kans zo klein mogelijk te maken dat een gemartelde gevangene militaire geheimen prijs geeft of voor de vijandelijke radio leugens opdist om zijn huid te redden.

Oorlog is oorlog --- maar als bij zulk een onderwerp scherts zou passen, dan kon men een clowneske vraag stellen: waarom verleent men niet reeds nu iedereen toestemming om als gevangene voor een vijandelijke microfoon elke idiotie uit te kramen welke de vijand maar van hem verwachten kan? Indien aan deze toestemming algemene bekendheid zou worden verleend, zou dan in tijd van oorlog een ieder niet weten en begrijpen dat er voor de micro opzettelijk gelogen wordt, zodat de “bekentenissen van gevangenen” in het geheel geen propagandistische betekenis meer zouden hebben?

En wat het prijsgeven van militaire geheimen betreft: de “geheimen” die gewone militairen, dus niet de mensen aan de top, in hun ransel schijnen te kunnen hebben, moeten van bijzonder grote militaire betekenis zijn, willen zij ook maar een grein rechtvaardigen van de zelfmoordpoging die een cultuur onderneemt indien zij haar verdedigers op een wijze als hier werd aangeduid, “voorbereidt op de realiteit van de gevangenschap”. Ook al omdat juist die manier van voorbereiding een bepaald soort gevangenen er toe zou kunnen verleiden om --- als ook dit spel ernst mocht zijn geworden --- uit wrok of wellicht uit schaamte voor wat zij zich in hun trainingstijd lieten aandoen, de vijand te geven wat de vijand eist: bekentenissen en verraad.

Men moet een beschaving die men verdedigen wil niet zo uithollen dat ze niet meer te verdedigen is. Als een beroep op beschaving van een zekere weekhartigheid of te grote illusie mocht getuigen, dan zou men tenslotte nog gewoon de vraag kunnen stellen of de oorlog, die tegenwoordig met het geweldig argument van A- en H- bommen kan werken, nu ineens zoveel meer dan vroeger behoefte heeft aan manschappen van een hardheid waar Himmler na-ijverig op had kunnen zijn. 

 

H. v. d. K.

 

Ter voorkoming van misverstanden zij er op gewezen, dat :

  1. de hier vermelde “hardingscursus” een oefening is voor bepaalde groepen van Amerikaanse militairen;
  2. en dat op anti_Amerikaanse propaganda azende bladen de hand eerst maar in de b.v. Moskou gezinde boezem moeten steken vóór zij van nevenstaande beschouwing misbruik maken voor hun propagandistische doeleinden.

 

Overgenomen uit: “Vrij Nederland”, 17 September 1955

 

Eindelijk weten wij niet, wat aan de boven geciteerd artikel in wezen zieliger is: de geestesgesteldheid der: kenners van de moderne oorlogvoering”, die voor deze mensonterende “hardingscursussen” verantwoordelijk zijn, of de aantekening, die de redactie van het blad nodig acht ter voorkoming van misverstanden!

Het één is een afschuwelijk symptoom voor de toenemende zielsziekte in het kader van het internationale militaire gezag --- een bewering, waarvoor ondergetekende de volle aansprakelijkheid aanvaardt. --- het ander is het gewone droevige krantenverschijnsel, dat een op zichzelf gezonde reactie aan een zeer bekrompen politiek en zakelijk denken ondergeschikt wordt gemaakt. Je krijgt het gevoel, dat de heren zelf geschrokken zijn over hun durf, om zo een fataal stuk te plaatsen, en dat ze dat weinig imponeerde visitekaartje vlug nog onderaan geplaatst hebben, ter “voorkoming van misverstanden”!! maar ook zonder uw durf, heren: in Frankrijk hebben 400 reservisten geweigerd in de trein te stappen, die hen naar Noord-Afrika zou brengen voor het verrichten van militaire dienst. Zij riepen “Marokko voor de Marokkanen” en “wij willen niet gaan”! De trein moest tenslotte zonder hen vertrekken. Dit had u onder uw bericht kunnen plaatsen en was een “piekeren over een eksteroog” in dit verband minder pijnlijk te lezen!

Voor de lezers van onze krant die misschien menen, dat zulke stukken niet in een geestelijk-wetenschappelijke krant thuis horen, willen wij het volgende zeggen:

CHRISTUS bracht Zijn Evangelie der liefde niet slechts ten behoeve van het geestelijk welzijn van de enkeling, opdat hij --- de enkeling dan --- er beter van wordt, maar Hij daagde tegelijk en vooral ook de maatschappij uit, de hogepriesters en farizeeërs, het volk, de soldaten en kooplieden, en Hij geselde hun wangedrag en tekortkomingen in felle bewoordingen: Zijn gelijkenissen spreken in dit verband een duidelijke taal en tonen de Messias der Liefde als een zeer strijdbare hervormer en beeldenstormer.

De geestelijke wetenschappen, in ons geval daaronder te verstaan de Cosmische Wetenschap van JOZEF RULOF, pogen niet slechts de mensen voor de juiste kennis van het Goddelijke plan, het Hiernamaals --- van het leven na de dood, enz., toegankelijk te maken, maar zij willen vooral de mensen tot een zelfstandig denken opwekken en hun de ogen openen voor de tekortkomingen van hun maatschappij en het leven, waarmee zij te maken hebben en in zekere zin verantwoordelijk voor zijn. Kennis van geestelijke dingen heeft alleen waarde, als deze het denken en handelen van het individu bepaalt. Anders blijft deze kennis slechts een hobby en dient de mens daarmee alleen zichzelf. Kennis is in dit verband een wapen, dat moet worden gebruikt, want anders zet het roest aan en wordt onbruikbaar. Als wij allen broeders en zusters zijn, zoals het ons wordt geleerd door CHRISTUS en de profeten, dan is ook de nood en de vrees, de pijniging en verslaving der anderen onze eigen nood en tragiek en hebben wij mee te maken.

Moeten wij dan zwijgend toezien als de waanzin in deze wereld hoogtij viert?

Als de menselijke waardigheid vertrapt en bezoedeld wordt in de naam van idealen die geen idealen zijn en voor God en Christus niet te rechtvaardigen zijn? Waarvoor hebben wij dan deze kennis verkregen, geachte lezer? voor de meditaties in onze huiskamer? Voor ons eigen zieltje? …..om misschien iets vlugger dan de andere stakkers in een gezellige sfeer aan de overkant te belanden? Heeft daarvoor Jozef Rulof zijn onmenselijke strijd gevoerd? --- neen, wij zijn een andere opvatting toegedaan en met ons zeer zeker vele van onze lezers.

Onze krant is geen ontspanningslectuur voor zondagen en vakanties! Wij schreven het al: wij zullen met al onze krachten de strijd voeren tegen het onbewustzijn van deze tijd, een onbewustzijn, dat reeds zo ontzaglijk veel ellende over de volkeren der aarde heeft gebracht. Berichten, zoals bovengenoemd, kunnen ons in ons voornemen slechts sterken. DE WAPENEN, die onze grote voorganger ons in handen heeft gelegd, zullen wij weten te gebruiken. DAT ZIJN WIJ ALLEN JOZEF RULOF VERSCHULDIGD!!

  

B. v. Baden

  

Europese Heraut, 3e jaargang, no. 50, 1 Oktober 1955