DE HEMEL VAN HET KIND

ALS EEN KIND OP AARDE STERFT, STERFT HET ORGANISME.
DE ZIEL BLIJFT LEVEN EN IS OEROUD.



Het lichaam is jong, de ziel heeft - alléén op Aarde al - duizenden levens volbracht en kent geen jongzijn meer. Dit is nu de astrale en kosmische betekenis voor het zieleleven, dat als kind op Aarde sterft. Dit kind leeft nu in geluk, de ouders in leed en smart. Voor de kleine is het heerlijk en dit is het voor ieder ander wezen, als het vroeg de Aarde mag verlaten. Om daar jong te mogen sterven, heeft betekenis in de geest. Het is Gods bedoeling en de mens op Aarde moet dit alles aanvaarden. Alle bezit op Aarde is geen bezit. Dit te weten en er naar te leven, dat is Gods bedoeling. Doch de mens wil geen afstand doen van alles wat hij denkt te bezitten, en vooral wanneer hij een geliefde moet missen. Hij verkeert dan in leed en smart, terwijl zij in hemels geluk leven. Dit te weten en er naar te handelen, in volle overgave, dat is Gods wil, dan eerst lééft de mens. Maar hoe weinig wordt het op Aarde begrepen. Wanneer zij dit aanvaarden is alle leed geen leed. Daarom weten en voelen wij, dat zij geen zuivere liefde bezitten. God roept al Zijn kinderen tot Zich en dat geschiedt op Zijn tijd, waaraan geen wezen iets kan en zal veranderen. Hier leven zij in hemels geluk maar door onwetendheid van de aardse mens worden zij in hun geluk gestoord. Hun leed en smart dringt namelijk door alle gebieden heen, en bereikt hen, die de rust van de geest voelen. Wanneer de mensen dit alles aanvaarden, leven zij en wordt het leven op Aarde begrepen. Zij leggen alles in Gods handen, omdat zij weten, dat hun kleine met vele anderen als koningskinderen leven, waardoor ook zij gelukkig zullen zijn.
Een kind dat het aardse leven op jonge leeftijd verlaat, wordt aan deze zijde door een geestelijke moeder opgenomen en liefderijk verzorgd zoals een aardse moeder het niet zou kunnen. Hoe goed en groot de moederliefde ook is, hoe innig de banden tussen moeder en kind ook zijn, het sferengeluk en de sferenliefde overtreffen in alles het aardse liefdegevoel, ook dat van moeder en kind. Natuurlijk wil de aardse moeder haar kind niet verliezen, wat heet eenvoudig is, omdat het kinderbezit het heiligste voor de moeder is en door God aan ons mensen is geschonken. Maar een kind, dat niet meer naar de Aarde behoeft terug te keren, is een engel. En dit kind als engel vertegenwoordigt één en vele andere astrale wetten, daar het een kind is. Zijn sterven heeft astrale betekenis. De ziel heeft deze vroege dood en deze overgang naar het astrale leven te beleven en zelfs in eigen handen. Dit houdt verband met het oorzaak en gevolg van die ziel. Zij heeft nu iets op Aarde beleefd en keert terug naar de sferen van licht. Dit is het verder gaan in de geest, het terugkeren tot God. Is het beleefde volbracht, dan treedt onherroepelijk de dood voor dit leven in.
Moet de ziel echter nogmaals naar de Aarde terugkeren om iets goed te maken of te beleven, dan trekt de wereld van het onbewuste dit zieleven aan. Deze wereld is voor de ziel om uit te rusten en zich gereed te maken voor een nieuwe geboorte. De ziel daalt nu tot het vonk-stadium af, dat is het ogenblik van ontwaken, toen de schepping een aanvang nam. Als vonk Gods kan de ziel in het moederorganisme afdalen, waarna het groeiingsproces kan beginnen. Als volwassen bewustzijn kan de ziel niet in het moederlichaam afdalen, omdat de ziel de vrucht dooddrukt daar er thans teveel bezieling is. De ziel als vonk wordt nu in de moeder wakker, waarna het groeiingsproces begint. Gaat dit zieleven daarentegen verder, is ze vrij van deze geboortewet, dan trekt het bewuste hiernamaals dit leven aan en blijft de ziel haar zelfstandigheid behouden. Nu vangen de sferen van licht dit leven op en leven dit kind en miljoenen anderen dus bewust verder.
Men weet aan deze zijde wanneer deze zieltjes sterven. Dan gaat de moeder aan deze zijde naar de Aarde om haar beschermelinge af te halen. Tijdens het sterven, dat heel veel van uw kleintjes zelf reeds tevoren kunnen waarnemen en het dan aan hun ouders mededelen, zien zij een engel bij het bedje, en het kind weet, dat deze engel het komt halen. De kinderen, jongen of meisje, zien dat licht, grijpen ernaar met beide handjes en geven zich aan dat licht, aan hun geestelijke moeder over. De geestelijke moeder neemt het geestelijke leven van de Aarde in haar stralende armen, drukt het aan haar hart en voert het naar de sferen van licht. Zij gaan regelrecht naar de afstemming van het kind, een hemel waartoe het kind behoort en waarop het afstemming heeft. Het gaat naar daar, waar het geestes- en zielelichaam splitsen en de ziel haar weg vervolgt, naar de engelensfeer, die de vierde en vijfde sfeer verbindt en een tussensfeer is. Daar leven de kleinen der Aarde, van het nog ongeboren kind af, totdat zij de drie jaren hebben bereikt. Het kind, dat de bewustwording in de stof heeft beleefd, groeit aan deze zijde op, al heeft het op Aarde de zon niet zien opgaan. Alle kleinen worden naar deze sfeer gebracht en opgevoed door liefdegeesten, die de ware moederliefde bezitten. Het zou voor andere wezens niet mogelijk zijn de kleinen te verzorgen. Voor hun rust wordt gezorgd. Wanneer zij volgens aardse berekening zeven jaar oud zijn, gaan zij in andere sferen over, al naar hun afstemming is. Wanneer zij de veertienjarige leeftijd hebben bereikt, dan eerst gaan zij in hun bestaanstoestand over om zich verder te ontwikkelen.
Op Aarde denkt men, dat een nog jong wezen een hemel zal bezitten, en in waarheid is hun toestand wel een hemel, maar geen hemel zoals zij zich indenken.
Wanneer kinderen vóór de geboorte overgaan, dus dood geboren worden, zijn het geesteskinderen, doch geen engelen in de ware betekenis van het woord. Zij kunnen geen engelentoestand binnentreden, om de eenvoudige reden, dat zij deze afstemming niet bezitten. Het is niet mogelijk, om van de Aarde - ook al heeft men de stof nog niet gevoeld, zoals dus het kind dat voor de geboorte overgaat - een engelensfeer binnen te treden, omdat zij met de Aarde te maken hebben gehad.
En van dit alles hebt u op Aarde geen begrip. Als moeders dit weten zijn ze, of kunnen ze gelukkig zijn. Na hun dood zien ze hun lieveling terug, maar dan wellicht als volwassen bewustzijn, want ook het kind leeft -zoals reeds gezegd - naar het volwassen bewustzijn.
In ons leven wordt echter het kind niet gespaard. De opvoeding is van dezelfde aard als ook het volwassen mensenkind geniet en op te volgen heeft. In ons leven kennen wij geen verzachtende omstandigheden. Dit is aards en onnatuurlijk. In ons leven moet het kind alles van het eigen leven en bewustzijn afweten en de wetten van God aanvaarden. Aan deze zijde leeft het kind in de waarachtigheid van God, wat op Aarde niet door het kind beleefd kan worden. Het kind beleeft de stoffelijke afbraak en de geestelijke opbouw, die ieder ziel, als kind of volwassene heeft te aanvaarden. Dat is de astrale wijsheid, die het kind zich eigen moet maken. God kent hierin geen verzachtende omstandigheid, ook voor het kind niet!
Wanneer het kind aan deze zijde wakker wordt en om de moeder vraagt dan draait de geestelijke moeder er niet omheen en vertelt ze het kind, dat het de Aarde heeft verlaten. Voor het kind van zeven jaar is dat een groot wonder en het wil er meer van weten. Is de band met de aardse moeder nu innig, dan vraagt het kind naar de moeder. Het jongere kind zal de vragen niet behoeven te stellen, het kleintje weet er niet meer van. Het kind is ingeslapen en aan deze zijde wakker geworden, alsof het in de wereld van u geslapen heeft en de honger het kind heeft wakker geschut. Overheerst nu de aardse liefdeband, dan gaat de moeder - als het kind zover is - met het kind naar de Aarde en mag het zijn ouders en wellicht zijn broertjes en zusjes zien. De geestelijke moeder vertelt het kind over hun leven en alles wat nu reeds voor het bewustzijn van het kind noodzakelijk is, zodat het leert begrijpen.
Als deze band tussen moeder en kind waarlijk van geestelijke aard is, zal de moeder in geen geval deze liefde verbreken, integendeel, deze band zelfs verstevigen, omdat zij anders in strijd zou zijn met de wetten van God, en tevens omdat de liefdebanden niet te verbreken zijn. Wij bouwen op.
U behoeft uw gestorven kind niet te bewenen, het kind beweent u. Maar het kind zal geen leed en smart behouden, doordat de astrale moeder deze ziel de wetten verklaren zal. En wanneer het weten in het kind gekomen is, ziet en voelt het uw leven aan en komen het begrijpen en het geluk. Het kind, dat verwaarloosd is op Aarde, maakt zich van die ellende bij aankomst onmiddellijk los. Nu gaat het kind in het eigen bewustzijn verder, met naast zich de geestelijke moeder. Vergeet nu dit niet: wij als mensen hebben in deze ruimte meer dan miljoenen ouders beleefd. Waar zij leven en wie het zijn weet u op Aarde niet en dit is maar goed ook, of het zou nu een geestelijke chaos worden. Niettegenstaande dat zal de mensheid deze wetten toch eens moeten aanvaarden, omdat Christus haat u door Zijn Heilig Evangelie heeft gebracht. (Zie het artikel "De Goddelijke Geboorte"in het nummer van 15 december 1957.)
Nu is het mogelijk dat het kind de moeder uit het vorige bestaan voor zich ziet en dan worden deze zielen weer verenigd. Hoort u het?
Dit zal voor vele moeders, omdat ze nog onbewust zijn van de Goddelijke wetten, smart betekenen. Immers het is háár kind. Maar ik zeg u, wij hebben duizenden vaders en moeders gekend. De moeder zal nu denken, dat zij haar lieveling moet afstaan. En dit is een onbewust gedachte, echts aards. Voor God verliest u geen liefde. Maar God wil, dat ge de universele liefde beleven zult en u die liefde eigen maakt. Aan deze zijde zijn wij zover. U hebt dus te leren al het leven van God lief te hebben, want al die mensen op Aarde zijn Gods kinderen. Een moeder dus, die alleen haar eigen kind lief heeft, heeft voor God geen liefde, kent geen liefde, deze liefde is egoïstisch. Zo de moeder haar eigen kind wil terugzien, wil zij liefde ontvangen van haar eigen kind, dat thans in de armen van een geestelijke moeder gelukkig is, zal ze zich volkomen moeten overgeven. Eerst dan kan zij haar eigen kind liefhebben, of deze moeder sluit zichzelf voor de universele liefde af. Dus al is deze geestelijke moeder in de sferen dichter bij uw kind en zijn deze zielen tot geestelijke éénheid gekomen, toch is men hier niet bezig om u als moeder uit te schakelen. Het universele bezit ligt in uw handen.
Iedere moeder moet zich dus voor het geestelijke moederschap bekwamen. Het zijn de wetten van God, die ook voor u op Aarde gelden.

Uit Europese Heraut, 5e jaargang no 103, 15 januari 1958