Dit artikel bestaat uit een stuk tekst afkomstig uit het boek "Een roman uit twee werelden" van Marie Corelli.
De tekst is in de originele staat gelaten zoals hij is geschreven omstreeks 1920.

 

Een schepping in het klein.

Terwijl ik in mijn droom ten hemel was opgevoerd, meende ik een uitgestrekten hof te zien van ronden vorm, waarin alle heerlijke landschappen eener bovennatuurlijke wereld zich snel schenen te vormen. Hoe langer ik keek, hoe schooner het werd, en een kleine ster scheen er als de zon. Boomen en bloemen kwamen te voorschijn onder mijn blik en strekten zich naar mij uit, alsof zij bij mij bescherming zochten. Vogels vlogen er zingend rond, sommige trachtten de zon, die zij zagen, zoo dicht mogelijk te naderen. Andere levende schepselen begonnen zich te bewegen in de schaduw der bosschen en over het frissche, groene gras. Al de wonderdadige werking der natuur, zooals ons die op aarde bekend is, had opnieuw plaats op dit plekje, dat mij scheen toe te behooren, zoodat ik alles met zekere voldoening en ingenomenheid gadesloeg. Daar trof mij de gedachte, dat de plek nog schooner zijn zou, als menschen of engelen er woonden, en snel als het licht bereikte mij een fluisterende stem:

„Schep!"

En in mijn droom meende ik, dat enkel door mijn verlangen, uitgedrukt in trillingen van electrische warmte, die van mij uitgingen naar mijn aarde, deze plotseling bevolkt was door mannen, vrouwen en kinderen, ieder met een klein deel van mijn eigen wezen in zich, in zooverre als het was, die hen zich deed bewegen en spreken en zich op allerhande aangename wijzen bezighouden.Velen knielden neer en baden tot mij en dankten voor de gave van het bestaan; maar eenigen gingen tot de kleine ster, die zij „zon" noemden, en aanbaden en dankten haar. Toen begonnen anderen de boomen te vellen en steenen uit te graven en steden te bouwen, waar zij bijeenwoonden als kudden schapen, en aten en dronken en maakten zich vroolijk met wat ik hun geschonken had. Toen stelde ik mij voor, dat ik hun verstand en hun vlugheid van bevatting vermeerderde, en weldra werden zij zoo hoovaardig, dat zij alles vergaten behalve zich zelf. Zij wisten niet meer, hoe zij geschapen waren en dachten er niet meer om lof en dank te brengen aan de kleine zon, die door mij hun licht en warmte schonk. Maar nog altijd was er iets van mijn wezen in hen; instinctmatig zochten zij steeds naar een wezen van hooger natuur dan de hunne, om te vereeren en, in hun dwazen trots verder en verder afdwalende, maakten zij monsterachtige beelden van hout en klei, die op niets ter wereld geleken, en baden en offerden voor deze levenlooze voorwerpen in plaats van voor mij. Toen wendde ik de oogen af in droefheid en mededoogen, maar niet in toorn; immers kon ik niet toornig zijn op de kinderen van mijn eigen schepping, En toen ik zoo de oogen had afgewend, troffen alle mogelijke rampen de eens zoo schoone landstreek: pest en stormen, ziekten en misdaden - de schaduwen der boosheden, door hen zelf bedreven. En daar iedere vezel van mijn bovennatuurlijk wezen het kwade afstiet als een noodzakelijk gevolg van het reine licht, waarin ik woonde, wachtte ik geduldig tot de nevelen zouden zijn opgetrokken en ik weer de schoonheid van mijn plekje zou aanschouwen. Eensklaps trof een zacht geroep mijn oor en een zwakke stroom van licht scheen als een verblindende straal naar boven te dringen door de duisternis heen, die mij van mijn beminde schepping scheidde. Ik kende het geluid: 't was de muziek van kindergebeden. Eindelooze deernis en ontroering grepen mij aan, mijn wezen trilde van liefde en teederheid en, bezwijkende voor die kleinen, die mij om bescherming smeekten, wendde ik andermaal den blik naar de plek, die ik voor schoonheid en geluk had uitgekozen. Maar helaas! hoeveel was er veranderd! Niet langer was het land frisch en bloeiend - men had er een wildernis van gemaakt, men had het in kleine stukken verdeeld, en de bewoners hadden zich gescheiden in kleine afdeelingen, volken genoemd, die elkaar met woede hun kleine bloembedden betwistten. Eenigen vochten en redekavelden onophoudelijk over het bezit van een enkelen steen, dien zij rots noemden; anderen hielden zich bezig met wat geel metaal uit den grond te graven, dat, als het verkregen was, de bezitters krankzinnig scheen te maken, want zij vergaten onmiddellijk al het andere. Terwijl ik toezag, werd de duisternis tusschen mij en mijn schepping dichter én werd eindelijk nog slechts afgebroken door de lange, breede lichtstralen, veroorzaakt door de gebeden der onschuldigen, die mij niet vergeten hadden. En ik was verdrietig, want ik zag mijn volk rusteloos en onvoldaan ronddolen, verward in hun eigen dwalingen en de liefde, die ik hun toedroeg, niet achtend.
Daar kwamen er eenigen tot mij en begonnen te vragen, waarom zij geschapen waren, terwijl zij geheel vergaten, dat hun leven oorspronkelijk door mij bestemd was tot geluk; liefde en wijsheid. En zij verweten mij het bestaan van het kwade en wilden niet inzien, dat waar licht is, ook schaduw moet zijn, en dat duisternis de mededingende kracht is in het heelal, waarvan de onnoembare vergetelheid der geesten afkomstig is.
Mijn eigenzinnige kinderen wilden niet erkennen, dat zij vrijwillig de duisternis gezocht en gevonden hadden, en nu hen die als een muur omringde, weigerden zij te gelooven in de aanwezigheid van het licht, waar ik nog altijd vertoefde en hen door liefde tot mij trachtte te trekken. Toch was, niet alles duisternis, en. ik wist, dat ook de hangende nevel zou kunnen optrekken, wanneer mijn volk zich slechts weer tot mij wilde wenden. Daarom liet ik alle mogelijke zegeningen op hen nederdalen: eenige daarvan verwierpen zij in drift, andere werden aangegrepen en dan weggeworpen, alsof, die geen waarde voor hen hadden - voor niets waren zij erkentelijk en niets wenschten zij te behouden. En de duisternis om hen heen werd dikker, terwijl mijn angstig mededoogen en mijn liefde voor hen evenzeer toenamen. Want hoe kon ik mij voor altoos van hen afwenden, zoolang eénige weinigen zich mijner nog herinnerden? Er waren er onder die zwakke kinderen, die mij zoo liefhadden en vereerden, dat zij iets van mijn lichtglans in zich opnamen en helden, dichters, toonkunstenaars, verkondigers van verheven gedachten, belanglooze martelaars werden ter wille van het ontzag, dat zij voor mij koesterden. Er waren reine, edelaardige vrouwen, die door het leven gingen onschuldig als de leliën des velds en zich tot mij om bescherming wendden, niet voor zich zelf, maar voor hen, die haar dierbaar waren. Er waren kleine kinderen, wier smeekende stemmen als streelende muziek voor mij waren, en voor wie ik een alles overtreffende teederheid. voelde. En toch waren die allen slechts een handvol in vergelijking met de menigte, die mijn bestaan loochenden en moedwillig iedere sprank van mijn wezen in zich vernietigd hadden en gedood. En terwijl ik dat alles beschouwde, vernam ik de stem uit het begin van mijn droom als een sterke windvlaag, door donderslagen vergezeld:

„Vernietig!"

Een overmaat van medelijden en liefde bezielde mij. Met diep. ontzag, maar tevens met plechtigen ernst, pleitte ik tegen die geweldige, bevelende stem:
„Beveel mij niet te vernietigen," smeekte ik, „beveel mij niet, die kinderen mijner schepping in het niet te doen terugzinken, terwijl eenigen mij lief hebben en hun heil van mij alleen verwachten. Laat mij nog éénmaal beproeven, hen uit de duisternis tot het licht te brengen tot het geluk, dat ik voor hen bestemd had. Allen hebben mij nog niet vergeten - laat mij hun tijd geven, om tot nadenken en inkeer te komen."
Andermaal schokte de machtige stem de lucht.
„Zij beminnen de duisternis meer dan het licht, zij verkiezen het vergankelijk stof, waaruit zij ten deele bestaan, boven de kiem der onsterfelijkheid, waarmede zij in den aanvang begiftigd waren. Deze hof van u is slechts een gril van uw verstand, de schepselen, die er wonen, zijn zielloos en nietswaardig en een beleediging van die onvernietigbare, reine schittering, waarvan gij een straal uitmaakt. Daarom zeg ik u nogmaals: vernietig!"
Mijn naar genegenheid smachtende liefde nam toe, en met nieuwen aandrang pleitte ik:
„O, gij ongeziene heerlijkheid! gij, die mij met deze aandoening van liefde en barmhartigheid vervuld hebt, die geheel mijn wezen doortrilt en daarvan deel uitmaakt - hoe kunt ge mij bevelen, zoo eensklaps wraak te nemen op mijn zwakke schepping.? Geen gril was het, die mij haar deed in 't leven roepen; enkel een gedachte van liefde, een verlangen naar schoonheid. Ook nu nog zal ik mijn voornemen ten uitvoer brengen, nog kunnen deze mijn dwalende kinderen tot mij wederkeeren, over een poos, als ik geduld met hen heb. Zoolang nog één van hen de handen biddend of dankend tot mij opheft, kan ik hen niet vernietigen! Beveel mij, zelf in de donkerste diepten weg te zinken, maar laat mij deze zwakke kinderen van het verderf redden!"
De stem gaf geen antwoord. Een stralende lichtglans schoot door de helderheid, die mij omringde, en ik aanschouwde een genius, groot, verheven, vol majesteit, met een gelaat, waarop zich het schoon van duizend zomermorgens weerspiegelde.
"Geest, die aan het verblijf der droefenis ontkomen zijt," zeide hij op helderen, klankvollen toon, „zoudt ge inderdaad het verlies van hemelvreugde en vrede willen lijden, ten einde uw kwijnende schepping te redden?"
„Ja," was mijn antwoord, „als ik den dood kende, zou ik willen sterven om een enkel van die zwakke schepselen te redden, die mij zoeken en mij niet vinden kunnen in de zwarte duisternis; die zij zelf om zich hebben doen neerdalen."
,,Om te sterven," zeide de genius, „om den dood te kennen, zoudt gij noodzakelijk aan hen gelijk moeten worden, zoudt gij hun gedaante moeten aannemen, al den glans, die nu uw wezen uitmaakt, moeten verbergen in een gewoon hulsel van stof; en zelfs al kondt ge dit alles volbrengen, zouden uw kinderen u willen kennen en ontvangen?"
„Ik weet het niet. Maar al zou ik schande van hen kunnen dragen," riep ik onstuimig uit, „zonde en schuld zou ik niet verdragen! Door mijn natuur ben ik boven dwaling verheven, en ik zou mijn schepselen toonen, welk een zaligheid er in reinheid, welk een vreugde in wijsheid gelegen is - hen overtuigen van hun eigen onsterfelijkheid, van den glans van een, hooger licht, indien zij mij willen volgen. En dan wil ik sterven, om hun te bewijzen, dat sterven licht is, en dat zij door den dood tot mij komen en een onvergankelijk geluk deelachtig worden!"
De gestalte van den genius verhief zich nog indrukwekkender dan te voren, en zijn sterrenoogen schoten vuur.
,,Welnu, gij aardsche pelgrim!" ,,begrijpt gij dan den Christus niet?"

Bert Hoegee