Eeuwige Verdoemenis!

Een God die Liefde is kan niet Verdoemen!!

 

Al Zijn kinderen, die Zijn Wetten overtreden en daardoor zichzelf afstemmen op de hellesferen, krijgen daarentegen toch van Hem hun kans zich een hoger bestaan eigen te maken. Niemand, geen ziel in de ruimte, gaat verloren of kan verloren gaan. God wil dat niet, want al Zijn leven moet tot Hem terugkeren. Past deze gedachte niet beter bij een God van Liefde dan het denkbeeld, dat Hij vanuit Zijn wereld rustig zou kunnen toezien, hoe een deel van Zijn schepselen om zonden, die zij - zeker, uit eigen wil! - begingen, voor eeuwig in de hellen brandt, liever dan hun de kans te geven hun fouten in te zien en zich, na hun verkeerde eigenschappen in goede te hebben omgezet, een hemel te openen?
De kerk heeft al in zovele opzichten, door de wetenschap gedwongen, leerstellingen als onjuist moeten opgeven; ook haar opvattingen ten aanzien van de eeuwige hel zal zij moeten wijzigen.
Tot nu toe heeft ze zich schamper uitgelaten over alle opvattingen, die met de hare in tegenspraak zijn, en betoont ze zich, bot afwijzend jegens deze. Toch zal dit eens veranderen. Nu de Eeuw van Christus begonnen is en nu het bewustzijn van de mensheid voor de kennis van Gods reine, natuurlijke wetten openstaat, kan Gene Zijde eindelijk het verlossende woord spreken. Thans is de mensheid zo ver, dat haar de wetten Gods verklaard kunnen worden. Hierop heeft Gene Zijde moeten wachten. Maar nu zal ze zich door geen kerk laten weerhouden om de mens wetend te maken ten aanzien van God, het leven en het Hiernamaals.
"Gene Zijde," zo schampert de kerk.
Ja, antwoorden de Meesters uit het leven na de dood. God gaf ons de taak Zijn kinderen te vertellen van onze ervaringen, die we na onze stoffelijke dood in Zijn ruimte mochten opdoen. Wij zullen het bewijzen doen regenen, want thans is daarvoor het ogenblik gekomen. Geen seconde te vroeg of te laat. Deze bewijzen en de reine natuurlijkheid van de te openbaren wijsheid zullen zelfs hen doen verstommen, die menen God en Zijn kinderen een dienst te bewijzen door al wat van onze zijde komt uit te krijten voor duivelswerk. De kerken willen hun gelovigen vasthouden, hen aan zich binden, en al naarmate deze zich in grote getale afwenden en langs andere wegen Gods ware Wezen trachten te vinden, worden hun pogingen fanatieker. Vreselijke bedreigingen tegen een ieder, die twijfelt aan wat de kerken hem te geloven voorhouden, die zelf denkt - en afvalt. In het bijzonder ageren ze fel tegen hen, die zich bezig houden met en geloven in de occulte verschijnselen.
God bedreigt u met Zijn eeuwige straffen, zo zeggen zij, als u waarde toekent aan de geestelijke manifestaties. Zo trachten ze hun gelovigen schrik aan te jagen en aan zich te binden. Het baat hun weinig of niets. De talloze wetenschappelijke bewijzen, die voor het voortleven na de dood gegeven zijn, hebben al miljoenen mensen kunnen overtuigen. Onder de druk van deze bewijzen en om het groeiende aantal afvalligen, die de kerken hiervoor boeken, hebben de kerken trouwens hun houding al ten dele herzien. Ze zijn er mee opgehouden alle occulte verschijnselen voor bedrog en fantasie uit te krijten, maar trachten thans voor één en ander een verklaring te geven. Thans is de katholieke kerk zover, dat ze toegeeft, dat de ziel van een overledene zich aan aardse wezens kan manifesteren. Dat iedere ziel zulks kan, wijst ze echter af, of althans: het staat niet iedere ziel vrij. Het kan alleen geschieden met Gods toestemming. Zo houdt ze de vrijheid in de beoordeling van de verschijnselen aan zich. Past het haar dan betreft het een ziel, die met Gods verlof zich aan de Aarde bekendmaakt en in elk ander geval is het duivelswerk! Lees zelf die boeken, waarin zij hun opvattingen neerlegden, en zie hoe verwarrend hun verklaringen daarin zijn. In al die boeken is geen sprake van een onpartijdig onderzoek met de heilige wil de occulte verschijnselen te leren kennen en te doorgronden. De oorzaak ligt voor de hand. Als de kerkgeleerden doen wat zovele wetenschapsmensen deden, zouden ze het grootste deel van hun kerkelijke leer, die ze de eeuwen door met fanatisme als zijnde "onfeilbaar" hebben uitgedragen, moeten prijsgeven of belangrijk herzien. De kerken zouden u dan moeten erkennen, dat ze de eeuwen door een volslagen verkeerd beeld van God en Zijn heilige wetten hebben gegeven, en gelooft u dat ze dit met de invloed, die ze thans nog op de massa hebben, zullen toegeven? Liever maken ze de occulte fenomenen belachelijk, negeren ze, of stellen ze in een verkeerd licht. Voorzeker, behoort veel van wat zich als een occult verschijnsel aandient tot bewust bedrog, ook op dit terrein slaan de charlatans hun slag, vergrijpen bedriegers zich aan de heiligste zaken en het is het goed recht van de kerken en hun geleerden deze schandelijke praktijken aan de dag te brengen. Maar zeker zo schandelijk als het optreden van deze bedriegers is de methode van de kerken om ook de zuivere, rein-geestelijke verschijnselen, die door de wetenschap aan bovennatuurlijke inmenging worden toegeschreven, te negeren, te verdraaien of af te maken! Toch zullen de Goddelijke waarheden, die door deze verschijnselen openbaar worden, ook de mensheid bereiken en overtuigen. En geen kerk of geleerde zal dit kunnen tegengaan.
Velen zullen grote ogen opzetten, bij het in bezit nemen der Hemel. Miljoenen katholieken en protestanten zullen hier in de astrale wereld moeten ervaren, dat hun op aarde door de priesters en dominees leugens waren verteld. Hoe vreselijk hun ontgoocheling was, is met geen pen te beschrijven. Eerst moesten ze loskomen van al die, hun ingegeven verkeerde voorstellingen, alvorens ze eraan konden beginnen, zich een hemel eigen te maken.
Denkt u lezers, dat al die zielen niet verlangend zijn hun geliefden op aarde te verlossen van de nonsens, die de kerken hun wijsmaken? Zij allen snakken er naar het gif weg te nemen, dat door de geestelijkheid op aarde in de harten van hun geliefden wordt gespoten. Al die neerhalende, spookachtige vertelsels over een eeuwige verdoemenis, een eeuwigdurend verbrandingsproces, ze moeten verbannen worden. Lang genoeg hebben ze de mensheid angst en beven bezorgd, de gelovigen, die God zochten te dienen, doen huiveren. Wij willen geen priester, dominee of kerklid pijn doen met deze woorden, gelooft dat.  Het zou het bezoedelen zijn van de hemel en het afsluiten van de sferen van licht. Het verlangen om u in de waarachtigheid van Gods leven te voeren, doet zo fel van zich spreken, door de miljoenen bezield, die u van deze zijde af volgen en liefhebben en u zoeken te overtuigen. Wij vragen u zich los te maken van al die onbewuste leerstellingen, die lang verouderde begrippen, welke u ver van God en Christus voeren, en u liever open te stellen voor de wijsheid, die Gene Zijde op velerlei wijzen aan u wil openbaren, en de wijsheid is, waarin de hoogste engelen aan deze zijde bewust werden.
Gelovigen der Aarde: ER IS GEEN EEUWIGE VERDOEMENIS. GEEN ZIEL GAAT VERLOREN, EEN IEDER KEERT TERUG NAAR ZIJN SCHEPPER.
God wil, dat wij Zijn wetten, Zijn Schepping leren kennen. Het is een lange weg naar Hem toe, maar geen ziel of zij komt zo ver. Bezint u hier eens op, laat de ontzaglijke betekenis ervan eens op u inwerken en dankt dan God om Zijn liefdebetoon, want God is liefde, oneindig is Zijn Wijsheid, onpeilbaar diep al Zijn wetten.  
De kerken doen hun gelovigen huiveren voor het stervensproces, dat hen een eeuwige hel kan binnenvoeren. Zij jagen u vrees aan voor uw Schepper en schrijven Hem, Die één en al  liefde is, de wreedheid aller straffen toe: een eeuwige foltering - denkt u het zich eens in - in een brandende hel. En dat alles zonder een schimmetje van bewijs - geloven moet u het! - en ze beroepen zich op uitspraken, die in de loop van de eeuwen onherkenbaar misvormd zijn.
 Welk een vreselijke verantwoording hebben uw kerken op zich geladen, hoe willen zij dat goedmaken jegens de God van al het leven? Durft één priester, één dominee zich zijn toestand in te denken, als hij moet ervaren, dat hij de God, Die hij dacht te dienen, dag in dag uit in alle toonaarden gehoond en bezoedeld heeft, door Hem, Die een bron van liefde is, als een God van verdoemenis voor te stellen? En toch, ééns, bij zijn binnentreden hier, zal hij deze vreselijke werkelijkheid moeten aanvaarden. Het leven zelf zal hem daar overtuigen hoe Gods Heelal wezenlijk is ingericht. En dan zullen zij het hoofd buigen en zich gelukkig prijzen te kunnen uitroepen: GOD IS WAARACHTIG LIEFDE - EN VOOR VERDOEMENIS IS IN ZIJN WERELD GEEN PLAATS!
Het land van haat, de naam zegt reeds waar deze zielen verblijven, zij hebben te leren wat het zeggen wil lief te hebben. Daartoe moeten zij zich losmaken van de haat, die hen hier gevangen houdt. Ook hier is al weer geen vuur; koud en dor is het land, want waar liefde ontbreekt, kan geen groen gedijen. Ze hebben het nog zo kwaad niet, zeggen de demonen hier, ze leven, hebben plezier, ze kunnen zelfs naar de Aarde gaan, als ze dat willen om daar alles te genieten wat hen trekt. Hartstocht en geweld, nog zoeken ze niet anders. Miljoenen mensen bevolken de hellen. Al die wezens gingen door hun verkeerde daden op Aarde te gronde. Hier leeft haat naast haat. Hier zoekt de ene dief, de ene moordenaar, de ander op. Demonisch is hun uitstraling. Alle graden van het kwaad zijn vertegenwoordigd. Hier doorvorst men alle zielenleven in al zijn scharkeringen. Al die rampzaligen zullen moeten ontwaken. Ook zij zijn vonken Gods - hun moet echter de liefde eigen worden, opdat zij een hemel kunnen binnentreden. Ook de mens op Aarde moet zich de liefde eigen maken. Deze schenkt God de mens en nog zijn er op Aarde, die spreken over een God, Die zijn kinderen voor eeuwig verdoemen kan.
Wij roepen deze toe: een meester te willen zijn op Aarde, is de leerling aan Gene Zijde!  

 

Overgenomen uit de Europese Heraut, 5e jaargang, nr 99, 15 november 1957.