GOLGOTHA

Deel I

Onderstaande lezing werd destijds door "De Universiteit van Christus" uitgesproken en vastgelegd.
Wij geven haar onverkort aan u weer.

 

Mijn zusters en broeders.

Ik kom tot u om u op te trekken naar Golgotha. Iedereen weet hoe het drama is geschied dat tijdens het leven van Christus in Jeruzalem gebeurde. Wat is Golgotha en welke betekenis heeft Golgotha voor ons mensen? En daarvan wilde ik u iets vertellen.
Tot u spreekt Meester Zelanus.

 Toen wij overkwamen, iedereen met mij, in de sferen van licht, waren onze eerste gedachten iets van Golgotha te mogen weten. Voor mij was dit niet zo eenvoudig omdat ik, na mijn sterven op aarde, de astrale duisternis tegemoet trad en die mij opnam, waarin ik enige eeuwen lang leefde en mij daarvan toch los moest maken, wilde ik verder komen om Golgotha te kunnen begrijpen en dit is mij dan ook gelukt. Ik ging verder. Ik kwam door de duisternis heen naar het licht en vanzelfsprekend door de sferen waarvan u allicht hebt gelezen in de boeken van mijn Meester Alcar en daarna, toen ik het schemerland bereikte, de eerste sfeer eindelijk binnentrad en mijn Meester voor mij stond, knielde ik neer en begon ik vragen te stellen. Ik vroeg aan hem hoe de ruimte is ontstaan, hoe de planeten zich hebben verdicht, hoe de maan stervende is gekomen, en op al die vragen kreeg ik antwoord. Soms, als de problemen mij te diep waren, gingen wij uit de sferen weg en losten wij in de stoffelijke kosmos op om daar op de planeten, de schepping en evolutie te volgen in al die stadia.
Toen ik dat had leren kennen, ontwaakte in mij een nieuw leven. Ik vroeg aan mijn Meester mij toch duidelijk te maken waarvoor Christus eigenlijk op aarde is gekomen. En wat voor de Joden zo een groot probleem is; of de Messias waarachtig de eigenlijke persoonlijkheid vertegenwoordigde van de Christus. Mijn Meester nam mij mede en daarvan, van onze lange tocht, wil ik u een kleinigheid vertellen. Ik wil u vertellen wat Golgotha is voor ons en voor u, mensen. Voor allen op aarde, niet één uitgezonderd. Golgotha heeft betekenis voor de mensheid en vooral in uw eigen tijd. In het leven, waarin u bent, voor uw kinderen, voor uw vader en voor uw moeder. Golgotha heeft betekenis voor het ongeboren kind, het kind, dat nog in de wereld van het onbewuste (wereld van de wedergeboorte) leeft, dat naar de aarde zal komen om straks zijn taak op aarde te volbrengen. Ook voor dat kind heeft Golgotha betekenis, want de Messias is voor ons aan het kruis gestorven. Mij interesseerde hoofdzakelijk enige personen, die direct in de omgeving van de Christus hebben geleefd en die voor Golgotha hun roeping en taak hebben gebracht.
Ook al was die taak gericht op het duistere bestaan en veel ellende voor hun eigen leven. 't Gaat mij om u mede te nemen naar Jeruzalem en daar zullen wij opklimmen naar Golgotha en Hem volgen, die ik liefheb, Die mij gaf diepte voor mijn eigen leven. Die mij gaf het deemoedig neerknielen en het hoofd buigen voor Gods zoon.
Geloof mij, vrienden der aarde, dat ik tot u kom en thans wil spreken in naam des Vaders en des Zoons en des Heilige Geestes. Ik buig mijn hoofd voor hetgeen ik u thans zal zeggen.
Toen Christus door de Joodse Raad aan het kruis geslagen werd en Judas, mijn broeder, voelde dat hij zijn Meester had verraden, maakte hij daarna een einde aan zijn eigen leven. In de Hof van Gethsemané, waarin hij meermalen zijn Meester had gevolgd toen hij in gebed was, vond men hem terug en had hij een einde aan zijn aardse leven gemaakt door ophanging. Judas wilde zijn Meester niet verraden. De Bijbel zegt het en het mensdom weet niet anders dan dat Judas een verrader is in de betekenis zoals men dat zegt. En toch is dat niet waar. Judas wilde alleen, dat zijn Meester tegenover de joden, de Farizeeërs en schriftgeleerden tot daden overging. Judas wilde, dat zijn Meester wonderen verrichtte, doch Christus ging op de aansporingen van Judas niet in en liet zijn kind, de leerling, begaan. Judas ging steeds verder, Judas was gelovig, een rotsvast geloof had Judas, maar hij twijfelde alleen aan iets, dat in hem brandde en hem voortstuwing vroeg om het beleven van de Christus in vorm en gestalte te zien, dat alleen vanuit de Messias kon gaan. Judas spoorde zijn grote Meester aan tot daden en daarom twijfelde hij om het ongeloof in hem en toch, wanneer hij bij zijn eigen soort was, dan riep hij; "Wacht maar, u zult zien wat mijn Meester zal doen! Wacht maar, dan zult u zien wat mijn Meester kan! Hij zal u allemaal vernietigen, u zult wonderen beleven, wonderen, grote heilige en machtige wonderen als mijn Meester slechts wil!"
Hij volgde zijn eigen weg, de weg die Hij moest bewandelen en Hem door God was opgelegd. U kent het verschrikkelijke drama en u weet, dat Judas zijn dertig zilverlingen ontving, maar wij spreken dat tegen. Judas heeft nimmer zijn Meester willen verkopen voor die paar centen. Hij wilde alleen zijn Meester aansporen tot daden. Dit heb ik in de sferen van licht waargenomen en dit moet u aanvaarden, want Judas was een kind van zijn Meester, een goed leerling. Hij was één van de scherpste leerlingen, hij besefte en begreep de schrift meer zelfs nog dan Johannes en Paulus. Hij was gereed om zijn eigen leven voor de Meester in te zetten. In Gethsemané vond men Judas terug. Judas dacht een einde te maken aan zijn leven. Hij dacht, ik kan niet meer leven, ik heb mijn Meester verraden en ik wil weg. Ik wil weg van de aarde, ik wil uit dit rumoer, dit verschrikkelijke.
Judas wilde geen Jood meer zien. Maar Judas had zich schromelijk vergist. Hij moest beleven, dat hij geen einde aan zijn leven kon maken. Toen hij zijn lichaam ging verlaten hing hij naast zijn eigen organisme aan de boom, waaraan hij zich had opgehangen. Men begroef hem, men moest hem, Judas, begraven en Judas beleefde de verrotting van zijn eigen kleed. Maar toen dat gereed was, hij die studie had gevolgd, trad hij de astrale maar de onbewuste wereld binnen, waarover ik in mijn boek "De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien" heb geschreven. Wie dat gelezen heeft, weet hoe ontzagwekkend het grote lijden is geweest van Judas, toen hij in de grond werd gestopt en daarin de verrotting van zijn organisme moest volgen, maar werkelijk één mee was, tot in de diepste vezelen van zijn onderbewustzijn en zijn zieleleven. Toen eindelijk zijn lichaam als sneeuw onder de zon was verdwenen, loste Judas op en kwam hij in de wereld, zoals ik zei, van het onbewuste.
Judas moest terug naar de aarde, De aarde liet hem niet los, want daar zou hij zijn zonden en fouten weer goed maken. En zulks geschiedde voor ieder mens. Wij zien hem terug op aarde in een ander land. Hij behoort tot een ander volk en is weer tot het joodse ras. Zijn ouders hebben hem ontvangen in liefde. Hij wordt begrepen als kind en als kind bezit hij reeds het gevoel een studie te volgen. Judas die niet gekend wordt en zijn verleden niet ziet, is een prettig kind, een opgewekt kind en zijn ouders hebben hem lief en zijn vader wil heel gaarne dat hij rabbi zal worden. Van uit de sferen wordt dit kind gevolgd. Judas weet dat niet. Judas kent ook niets van zijn verleden, hij heeft alleen het verlangen om te studeren. Hij wil de schrift kennen en hij wil alles weten van wat er in Jeruzalem tijdens de kruisiging van de Messias zoals men zegt de Christus, gebeurd is.
Niets zal er zijn dat hij niet weet. Alles moet hij weten omtrent de dingen, de vreselijke gebeurtenissen daar. Hij begint aan zijn studie en maakt die studie af. Judas is bezield, een bezieling die van binnen uit komt en die hem opvoert naar het hoogste, zodat wij hem terug zien in de Joodse raad. Hij is daar en spreekt. Hij vertelt de Joden, dat voor hem vaststaat, dat zij niet langer naar de wolken moeten kijken, want dat de Christus de Messias is geweest. Voor hem staat onherroepelijk vast, dat de Messias eens op aarde was, maar dat de Joden Hem aan het kruis hebben geslagen. "Houdt toch op, houdt toch op, "vraagt Judas hen. "Kijkt toch niet langer naar de wolken. Bidt en knielt neer en luistert toch! Ik voel het, ik voel het! U moet mij aanvaarden want de Messias heeft reeds op aarde geleefd."De Joodse Raad kon alleen het nodige doen en Judas werd verbannen. Judas moest maken, dat hij weg kwam. Men dulde hem niet langer, Judas werd uitgestoten. Op een andere plaats en in een ander land probeerde hij echter opnieuw de Joden te overtuigen dat de Messias reeds op aarde was geweest, maar ook daar werd hij uitgestoten. Judas wist niet waarheen en de gespaarde centen, die hij in die tijd had, moesten hem helpen om de weg naar Jeruzalem te aanvaarden. Voor hij daar aangekomen is, is een verschrikkelijke lijdensweg geweest en eindelijk dan is Judas in Jeruzalem en voelt hij zich gelukkig. Een tijdlang durfde hij niet te spreken, maar het is alsof de grond waarop hij loopt levend is. Het is alsof iedere steen tot hem spreekt, de huizen hem toelachen en vragen "Kom binnen, kom toch binnen Judas." Merkwaardig, zegt hij, waarom hoor ik Judas in mij en wat is het, dat zo in mij brandt hier in deze stad, de heilige stad van de Christus. Judas gaat studeren. Hij onderzoekt de geschriften, maar langzaamaan dwaalt hij al en mompelt hij in zichzelf en zien de Joden hem door de straten wandelen van Jeruzalem. Hij is reeds een bekend type. De mensen kijken hem aan, hij loopt steeds in gedachten tot zichzelf te spreken. Hij mompelt wat en het enige woord dat zij dan soms horen is: Messias. Ja, ja, de Messias en waarom toch en waarom toch! Schreiend, klagend. Een pijnlijk gevoel is het, dat uit hem straalt en dat men hoort en hij weet het. Soms weet hij het niet, want dan zinkt hij weg in een onbewuste toestand en dan weet hij eigenlijk niet meer dat hij leeft. Dan droomt Judas. Hij droomt reeds enige jaren in Jeruzalem en vindt hem steeds op Golgotha. Want hij gaat        's morgens vroeg. Als de zon opgaat klautert hij Golgotha op en dan wandelt hij met zijn handen op zijn rug, zijn hoofd naar benenden, opwaarts. En dan knielt hij daar op 'n plekje, waarvan hij waant dat daar eens het kruisbeeld heeft gestaan. De mensen die hem zagen, spraken tot hem: Wat zoekt gij vriend, wat zoekt gij rabbi, wat denkt u te vinden? En dan stamelt Judas enige woorden, maar hij woelt met zijn handen de aarde los, zo, dat hij er zichzelf in kan verstoppen. Nog even kijkt hij over de aarde en daar beneden ziet hij dan Jeruzalem, hij ziet op de daken en hij ziet de koepel van de hoogste Raad. Hij kijkt naar de mensen en knipoogt, maar hij denkt, hij wil denken en voelen, hij wil zien en geen woord spreekt er in hem. Dan is Judas stil. Hij wil mediteren, hij smeekt, hij vraagt aan de Messias om slechts één woord en als dat woord hem gegeven zal worden, voelt hij, dan kan hij heengaan, wellicht sterven. En waarheen, ja, waarheen? Wellicht aan de overzijde van dit leven de Messias te zien. 
Judas woelt in de aarde, hij mediteert en soms ziet men, dat hij de aarde kust, zijn lippen drukt op de aarde waar eens het kruis heeft gestaan. Hij heeft duidelijk nagezocht, hij heeft gevraagd en de schriften nagekeken op welk ogenblik en waar dit is geschied. Waar het was, op die plaats, daar legt hij zich neer en wil hij sterven als het moet. Hij zoekt en vindt niets, hij hoort niet de stem die hij verwacht. Hij wil alleen zoeken en mediteren, ja, bidden. Hij wil zich afvragen waarvoor hij hier is en of het waarachtig waar is, dat de Messias éénlijk is met de Christus. Judas slentert van daar soms naar de Hof van Gethsemané en dan ziet men hem daar weer ineengehurkt, biddende, voelende, schreeuwend en tastend, smekend en mediterend om het enige woord van de Christus te mogen ontvangen en dan om de bezieling te krijgen. Het bewuste ik-zijn dat hem zal geven en schenken de waarachtige betekenis van deze gebeurtenis. Op Golgotha vindt men hem altijd, daar is hij zichzelf, maar wanneer hij uitgemediteerd is, waagt hij zich onder de mensen en de Joden in Jeruzalem zien hem aan en bedenken, dat hij óf een heilige is óf dat Judas klaar is om krankzinnig te worden. Maar men weet, hij is niet gevaarlijk. Judas gaat verder, hij prevelt woorden. hij raakt de schrift, hij gaat ver in de toekomst en hij ziet die terug. Men weet reeds dat hij ziet en dat hij peilen kan de diepte van de ziel.
Dat is het wat Judas bezig houdt, wat hem voert naar een ongekende wereld, waarin hij leeft en waarin hij voelt, maar waarvan hij geen zekerheid heeft. Dat is zijn leed, hij weet niet waarheen hij gaan moet en hij moet eindigen of hij zal geen antwoord ontvangen. Judas gaat verder.
Op een morgen vindt men hem in Gethsemané.......... dood. Judas zat ineengebogen, zijn lippen kusten de aarde en zijn handen waren gevouwen. Smekende is hij gestorven, deze rabbi heeft zijn leven volbracht, in meditatie, in gebed, in het zoeken en tasten naar iets, maar men weet niet waarom. Ja, soms hoorde men hem, soms volgde men Judas en dan sprak hij over de Messias. Maar daar gingen de Joden niet op in. Niemand kon dit aanvaarden en waarom zou deze rabbi het kunnen weten. Er was niemand op aarde, die vermoeden zou kunnen hebben, dat in hem de ziel leefde van de waarachtige Judas. Men begroef Judas, het andere kleed keerde terug tot de aarde en Judas kwam weer vrij, kwam weer terug in de astrale wereld en zou opnieuw geboren worden.
Eindelijk is het zover, hij ontvangt de geboorte en na enige eeuwen ziet men hem opnieuw op aarde. Hij leeft nu weer in een ander land, maar behoort ook nu weer tot het Joodse ras en zal opgroeien, hij zal verder gaan in zijn verlangen, want in hem leeft het oorzaak en gevolg. Zijn eigen leven roept hem terug en Moeder Aarde heeft nog iets met dit zieleleven te vereffenen. Het is zo, wij zien dit kind groeien en bloeien, hij wil studeren en hij komt zover, dat hij het hoogste opnieuw kan bereiken. Dit leven ging nu verder in studie, in meditatie en gebed en in de astrale wereld is voor dit leven geen stoornis gekomen. Judas voelt zich als daar, als voorheen, als op Golgotha. In niets is er verandering gekomen in dit zieleleven, hij is teruggekeerd zoals hij was en zal ontwaken en opgroeien tot het bewuste-ik, dat hij voor dien bezat en dat gebeurt, dat moet geschieden, want de wetten van God zijn niet te ontlopen. Moeder Aarde zal het hem geven en in de moeder komt hij tot bewustzijn. Judas ziet weer, dat hij zijn studie kan vervolgen en hij komt weer voor dezelfde wet, dezelfde mensen te staan waartegen hij spreekt, en zegt dat Christus de Messias is. Hij zegt: op Golgotha is hij gestorven, op Golgotha moeten wij Hem zien en niet hier en niet aan de wolken. U moet met mij naar Jeruzalem gaan en ik zal het u aantonen. De schrift kan het u zeggen, maar u bent blind. U wilt niet luisteren en u wilt alleen doorgaan en rondzoeken en tasten. Ik weet niet wie ik ben, ik weet wel dat er in mij leeft het gevoel, dat ik de Christus moet aanvaarden, maar ook de Messias. Ik weet, dat Golgotha mij en u terug zal roepen, tot de laatste seconde. U zult leven op leven ontvangen, want God kan niet toestaan dat men zijn heilig kind daar vermoordde.
Judas spreekt, hij is bezield van een heilige macht en hij weet niet van ophouden. Hij is telkens en telkens bezig de Joodse raad te overtuigen, maar niemand luistert naar hem, totdat zij eigenlijk walgen van zijn taal en moet Judas maken dat hij wegkomt. Droevig gestemd, neergeslagen, innerlijk gebroken gaat hij weg. Ook al smeekt hij hen nog even toe te staan te spreken tot iedereen, maar ook dat duldt men niet en dan lost Judas op onder de mensen. Hij krijgt gedaan dat men hem in de richting van Jeruzalem voert; hij voelt zich tot die heilige stad aangetrokken, want daar is het, dat hij zijn leven wil beëindigen. Judas komt weer in Jeruzalem. Hij voelt zich scherp en zeer zeker bewust van zijn eigen leed en hij mediteert dieper nog, rustiger dan voorheen in het andere leven en hij gaat weer bergopwaarts, hij gaat op naar Golgotha, waar hij zich neerzet om te mediteren.
Er is nog een rabbi bij hem, een jongeman, die voor zijn studie staat en die als hij, vraagt en zoekt of de Messias de Christus is. Judas spreekt met hem, maar wanneer hij ziet dat zijn eigen gevoelens de diepte van dit leven kunnen peilen en overheersen, weet hij dat deze menselijkheid hem niet kan helpen. Hij moet het zelf zoeken, hij moet trachten een antwoord te krijgen op de vele vragen, die in hem leven. Hij blijft doorgaan. Hij vraagt zich af wanneer er eigenlijk wel een einde zal komen. Wanneer komt er een einde aan mijn zoeken en tasten, want ik wil weten of Christus waarachtig op aarde is geweest. Hij smeekt als het ware de Messias tot hem te komen en hem enige woorden te verduidelijken, een zacht woord tot hem te spreken, hij smeekt, hij bidt: Meester, Meester, als het mij waardig is, spreek dan toch. Laat me toch weten of ik verkeerd ben geweest, laat me toch weten, wat zeg ik, wat praat ik, ik doe net, ik doe, ik doe als...Judas vlucht van Golgotha weg, hij zoekt de natuur op, een angstig gevoel overheerst hem, hij had, hij was... Hij wilde gaan spreken als een Judas. Maar ik ben toch geen Judas, ik ben een rabbi, ik ben een leerling van ja... Judas weet niet meer, hij dwaalt, hij zoekt, hij is zichzelf. Judas tracht in de stilte van de natuur zichzelf terug te vinden en dat bereikt hij.

Wordt vervolgd.

Jozef Rulof / Meester Zelanus