GOLGOTHA
DEEL II

 

Dromend sprak hij op Golgotha: Ik droomde daar, ik was aan het spreken als Judas: Ik zou Judas zijn, maar hoe kan ik Judas zijn. Ik ben hier in dit leven en mijn ouders wonen daar. Ik heb mijn zuster en mijn broeder en ik weet van Jeruzalem niets af en toch, alles is mij hier zo duidelijk. Ik wil sterven en leven. Hij graaft in zichzelf, hij gaat terug naar Gethsemané, de geliefde plekken voor hem. Op Golgotha en in Gethsemané vindt hij rust. Judas zoekt en vraagt zichzelf af waarom hij zo kon spreken, hij begrijpt er niets van en toch komt er innerlijk uit hem een brand diep en krachtig omhoog en als hij zich had laten gaan, dan had hij als het ware de Messias om vergeving gesmeekt en had hij gevraagd dit geld en alles, ja alles wat tot Judas behoorde, terug te nemen en hem vergeving te schenken. Vreselijk is het in hem. Als het zo doorgaat word ik een krankzinnige, maar ik mag niet krankzinnig zijn. Ik moet blijven waken, want ik wil weten of hier waarachtig de Messias geleefd heeft. Op dit plekje grond waar ik nu ben en ik zal me opnieuw ingraven, wil ik weten of het antwoord tot mij komt. Ik wil weten, ik moet weten, want mijn ziel krijgt geen rust. Ik wil goed, maken als... neen, ik zeg het niet.
Ik ben het niet, schreeuwt Judas en vele rabbies denken, dat hij krankzinnig wordt. De mensen in Jeruzalem wijzen elkaar aan en vinden, dat het met deze rabbi niet goed gaat. Maar Judas gaat verder, hij eet weinig, men ziet hem vaak vallen. Hij slaapt dag en nacht op Golgotha en het leven gaat aan hem voorbij, prevelend, zuchtend en mediterend, biddend en vragend, zoekend en tastend. In hem leeft een gevoel, dat branderig is, dat hem verschroeit en zijn ziel blaakt van deze warmte, zodat hij door wroeging als het ware opgestuwd wordt naar de hoogte, dat Golgotha is geworden. De jaren vliegen voorbij. Het ging heel snel met hem dit maal, hij behaalde niet de leeftijd van het vorige leven. Op 60-jarige leeftijd zien wij opnieuw, dat de ziel terugkeert naar de wereld van het onbewuste. Judas vindt men opnieuw terug in Gethsemané. Hij maakt zich niet los, zijn ziel kan zich niet losmaken van deze levens. Jeruzalem houdt hem gevangen, Moeder Aarde houdt hem vast, de wetten van God houden hem vast en Christus en de Messias houden hem gevangen. De wetten in de ruimte vragen hem te sterven op de plaats waar hij eens is geweest. Deze ziel keert terug naar de wereld van het onbewuste en wacht op de nieuwe geboorte. Eindelijk komt dat weer, dat nieuwe leven en zien wij vanuit de astrale wereld, dat Judas opnieuw op aarde geboren wordt. Hij is weer bij een ander volk, maar hij leeft in de omgeving van Jeruzalem. Dit leven gaat opnieuw voorbij, zoekende en tastende, telkens weer op Golgotha en in Gethsemané en hij maakt dan zijn lange wandeling, want hij wil een studie maken van het leven van de Christus. Hij ziet de Christus voor zich als jeugd, een jeugdig kind bij zijn ouders. Hij vraagt er nog naar en leest de schrift, hij studeert dag en nacht en beleeft als het ware het leven van zijn Meester. Toen hij dat afgelegd had en weer op Golgotha kwam, Jeruzalem bewandelde, trappen op en trappen af ging en met de mensen sprak of zij ook geloofden aan de Messias, maar men hem uitlachte tot Judas zijn geluk en zijn rust maar weer op Golgotha zocht. Hij groef zich opnieuw in, dagen en dagen, weken achtereen bleef hij daar. Hij wilde niet eens meer eten, zodat andere mensen tot hem kwamen om hem van voedsel te dienen en hem drinkwater verschaften, want Judas was eigenlijk reeds een levend lijk, maar hij bleef er. Hij kon zich niet losmaken thans van Golgotha. Hij bleef gevangen. Deze naam, deze verschrikkelijke naam zoals hij voelde hield hem vast en worgde zijn innerlijke levens. Hij schreide en schreeuwde, midden in de nacht kon men hem horen. Midden in de nacht riep hij om hulp, klagend als de jakhals riep hij om hulp, om het antwoord, het kleine woord. Hij doorboorde de duisternis, hij vroeg en smeekte en bleef vragen, maar het antwoord kwam niet. Op een morgen, de zon scheen reeds hoog aan de hemel, vindt men Judas opnieuw terug, maar dood. Zijn ziel was weer losgekomen van het organisme en had de aarde verlaten. Aan gene zijde volgde men deze ziel. Judas beleefde twee, drie, vier levens achtereen en nog liet hem Moeder Aarde niet los. Dan zien de Meesters aan onze zijde, dat zijn laatste leven een aanvang neemt. Wij zien hem terug op aarde, weer als rabbi. Hij behaalt de hoogste graad voor het Jodendom, hij wordt opgenomen in de eeuwigheid van het Jodendom, die hem opnieuw zullen verstoten. Judas heeft nu het allerhoogste bereikt, hij is opgeklommen tot de hoogste graad, daar zal hij vechten, hij zal spreken, hij reist als het ware van stad tot stad. Hij spreekt, hij zegt, hij verkondigt, zo bezielend en machtig, dat Christus de Messias is. Maar men stoot hem weer uit, hij wordt verbannen, men sluit hem een tijdlang op als een krankzinnige, maar dan later - na enige jaren - moet men hem toch weer vrijlaten. Want hij is normaal, men constateert zelfs, dat hij zeer wijs is en zijn gedachten en gevoelens te ontleden zijn. Men moet aanvaarden, dat hij alleen het probleem Jeruzalem voor zich ziet en Golgotha hem opgenomen heeft in de diepte van het leven. Als Judas vrijkomt gaat hij opnieuw terug, de magische krachten van Jeruzalem trekken hem aan. Dit zieleleven kan zich niet vrijmaken in de bewoonbare steden en de maatschappij. Hij moet terug, hij zal teruggaan tot Jeruzalem. Hij wordt aangetrokken door Golgotha en wij zien hem weer smekend en knielend en biddend op de plaats waar eens Christus heeft gestaan. Nachten is hij op Golgotha, er komt leven in hem, in hem ontwaakt er iets. Hij voelt dieper dan voorheen. Hij gaat vergelijkingen maken met het gebeuren van toen en hij ziet zich als het ware in het midden van de apostelen. Hij ziet zichzelf en de Meester in een sneeuwwit kleed, lopende door de straten van Jeruzalem. Hij ziet de apostelen, hij ziet zichzelf maar hij durft het niet te aanvaarden, want als hij zijn ogen openslaat twijfelt hij weer. Wat ben ik toch, wie ben ik toch, wat wil ik eigenlijk hier, wat zoek ik. Ik maak mij het leven kapot, ik maak mijn leven stuk. Ik zoek en ik voel, dat er diepte in mij komt. Ik ga het verleden zien, ik ga zien, ik ga zien, ik ga waarachtig zien. De mensen zien Judas staan in het midden van de straten. Dikwijls, minuten lang, als een levend dode of hij staart in de ruimte en kijkt naar de wolken en dan gaan zijn handen omhoog, alsof hij de zegen wil ontvangen. Hij vraagt God hem te zegenen. Het is soms, dat hij neerknielt en de mensen hem voorbijgaan en enige vrome rabbies naast hem zitten, ook geknield, om iets van zijn heiligheid op te vangen. Maar voor anderen is Judas krankzinnig. Velen vragen hem zijn zegen te geven. Judas weigert hen niet, maar als zijn hand omhoog gaat, hij deze vragen wil beantwoorden en de mensen wil zegenen, dan komt er een kracht in hem en dan schreit hij, beeft hij en trilt zijn hart van ontroering en kan hij zich niet meer verroeren. Hij is een vreselijk sujet, hij voelt zeer zeker dat er krachten in hem zijn, die hem voortstuwen, maar er zijn ook krachten, die hem afbreken. Hij wil weten van waar en waardoor die krachten in hem komen en dan gaat Judas weer opwaarts naar Golgotha. In dit leven gaat hij zien en voelen. Er gaan gebeurtenissen komen, waardoor hij zal ontwaken. Hij voelt dieper en hij is merkbaar rustig. Rustiger van geest en van lichaam en hij heeft zijn concentratie in bezit. Hij kan denken eigenlijk wanneer hij wil. Hij is bewust in alles van Jeruzalem en van het leven rondom hem. Hij voelt alleen dat hij hier wacht, wachtende is op iets, dat vanuit de Hoge moet komen en hem alleen de Messias kan schenken. Hij verlangt innig hij smeekt door, hij blijft doorpraten en vragen om vergeving als hij het mocht zijn. Waarachtig, waarachtig, denkt Judas, er zijn gedachten en gevoelens in mij, dat ik het ben en toch, wie kan mij de waarheid schenken. Het leven is zo kort, ik leef slechts eenmaal en ik kan toch niet terugkeren op deze wereld.
Wat moet ik hier doen? Wat heeft het voor betekenis om hier te zijn? Ik ben het niet, ik kan het niet zijn, neen, hij kan het niet zijn, hij kan het niet zijn. Als ik het ben, dan zal ik wanhopen en schreien, hemeltergend zal mijn ellende zijn. Als ik het ben, hoe zal ik het dan als een waarachtig kind van de aarde kunnen verwerken, hoe zal ik het willen beleven, dat het waarachtige in mij komt? Judas groef zich in, hij woelt de aarde los, hij knielt neer en ligt languit op de plaats waar eens Christus heeft gestaan. Waar eens Christus voor de mensheid is gestorven. Hij is geen centimeter van de plaats af. Het is of zijn ziel hem de weg wijst, hij zelf het is, die de visionaire gevoelens, die onzichtbaar op hem afkomen en die hem stuwen en voortgaan, die hij kan volgen, die hij tastbaar in zich heeft, die hem zeggen: hier is het. Judas voelt het, maar hij durft niet te aanvaarden. Hij gaat door, hij wil verder gaan met mediteren. Hij komt zover in extase, dat hij zich opnieuw vergeet en zijn zenuwstelsel kapot maakt. Hij wroet, hij beeft en trilt, hij breekt zichzelf af, als een waanzinnige loopt hij rond over Golgotha, de Calvariënberg op, terug naar Gethsemané. Hij holt door de straten van Jeruzalem, bezoekt de kerken en de tempels en hij bidt. Hij loopt iedereen eigenlijk ondersteboven. .Hij vraagt zich af - toch in de wijsheid en in de liefde van het leven van God - of hij de waarachtige is. Waarom toch moet ik hier zijn?
Hij gaat iets zien van zichzelf, maar alleen als hij droomt, als hij slaapt. Als hij in diepe slaap komt, daalt hij in zichzelf af en dan zijn deze gevoelens, die in hem komen, zó bewust, dat zij gestalte krijgen en hem belast. Hij voelt, hij ziet, hij durft zijn handen niet uit te steken, zijn ogen niet te openen, maar als zij dicht zijn, dan ziet hij nog, neemt hij waar. Hij ziet de schimmen op Golgotha, hij ziet mensen in astrale gewaden en zij lachen hem toe, anderen zijn bezorgd en kijken ernstig. Hij beeft, hij rilt, hij gaat zien in de oneindigheid van het leven. Dat kan niet lang goed gaan. Dat kan hij niet langer verwerken, hij smeekt dit van hem weg te nemen, want hij wil het niet zien. Ik wil niet zien.
Als de nacht komt en hij toch niet van Golgotha weg komt, dan neemt hij waar dat er gestalten zijn, duizenden mensen, even slechts. Hij hoort een orkaan, het geloei van miljoenen zielen, het zijn jakhalzen des levens. Hij rilt en heeft, hij heeft angst. Hij weet niet waarheen hij moet. Hij valt neer, hij zinkt weg in een diepe slaap. De bewusteloosheid, die over hem kwam, nam zijn angst, zijn beven en trillen van hem af. En toch leefde hij nog. Zelfs hierin kon hij niet rusten en slapen, zelfs in de slaap droomde hij en zag hij de gestalten, die hij zoeven waarnam. Hoe is het mogelijk? Hij kijkt in de nacht naar Jeruzalem. Het is rustig en stil, alleen enige vogels en het gesjirp van enige insecten dringen tot hem door.
Hij ziet, hij voelt, hij hoort lawaai, hij hoort geschreeuw, hij hoort Halleluja. Halleluja, ik word gek, ik word krankzinnig, ik houd dit niet uit. Mijn God, mijn God, ik houd dit niet uit! Oh, oh,... hij brult naardat hij hoort. Hij hoort geloei van duizenden zielen, hij houdt zijn handen op zijn oren en bedekt zijn ogen en zijn oren en zijn hoofd. Zijn gestalte krimpt in het niet, hij wil wegzinken in het niet, maar hij komt niet los van dit geloei, dit geschreeuw, dit gebaar, dit gemediteer. Duizenden en duizenden, miljoenen zielen komen op hem af. Hij ziet die gestalten in deze duisternis en de maan zinkt weg en de sterren en planeten, die zoeven nog fonkelden, losten voor hem op. Hij ziet in een dichte waas, hij leeft erin, hij voelt dat iets hem opgenomen heeft, dat hij niet kent. Ik word waanzinnig. Ik houd dit niet uit! Mijn God, mijn God, neem het van me weg! Ik... ik... oh... Judas zinkt ineen en opnieuw neemt de dood hem in zijn armen en komt hij los van deze wereld.
In de wereld aan onze zijde ontwaakt Judas. Hij slaat zijn ogen open en ziet om zich heen. Waarachtig, er zijn mensen. Ik zie mensen en ik leef en ik ben wakker. Hij kijkt op, wie zijn dat, wie zijn dat daar? Ik ken deze mensen. Ik ken u.
Rustig treden lichtende gestalten op hem af. Iemand spreekt tot hem: „Kent gij mij nog? Ik ben Petrus. En hier is Johannes, en hier is Paulus, Andreas, Simon, allen zijn wij hier. Wij komen je verwelkomen in deze wereld. In het leven na de dood." 0, broeder, broeder ! Judas zinkt ineen en schreit als een klein kind. Hij ontwaakt weer, doch opnieuw zinkt hij ineen als Petrus tot hem spreekt. "Waar is de Messias Petrus, vertel mij, waar is de Messias? Waar is onze Meester? Ik wil boeten, ik wil boeten! Ik was opnieuw in Jeruzalem, maar het antwoord is niet tot mij gekomen. Zeg mij toch, is het waarachtig? Is het waarachtig waar, Petrus, is Christus onze Messias?"
De apostelen knikten hem toe, hun stralende ogen en hun mooie gewaden geven hem rust en geluk. Hij slaapt opnieuw in, hij moet slapen. Een tijd lang is hij rustig en beleeft hij de astrale wetten. God nam hem op en sloot Judas als zijn eigen kind in Zich op. Maar het leven gaat verder en Judas ontwaakt. Hij komt tot zichzelf en vraagt zich af: „Droomde ik of was ik wakker?" Zijn gedachten glijden van hem af.
Petrus maakt hem duidelijk, wat er met hem is geschied en zegt: „Hier in de eerste sfeer aan deze zijde moogt ge binnentreden, en zult gij het licht zien wat God in Hem heeft. Gij zult weten waarom en waar de Messias gestorven is. Ga mee met mij, Judas. Gij zult alles ontvangen, want ge hebt geboet. U hebt uw fouten en uw zonden goed gemaakt en u zult thans het leven leren kennen zoals het, is." Judas wandelt met hem naar de eerste sfeer aan onze zijde en beleeft dat het ontwaken van de natuur hem tegemoet komt. Hij ziet de vogelen, hij ziet de lichtende gewaden van de eerste sfeer en de uitstraling. Hij loopt het Paradijs nà de dood binnen. Daar verwachten hem de apostelen. Judas knielt opnieuw neder en bidt en smeekt waarachtig. Een rein gebed zendt hij op tot zijn grote Meester en hij vraagt of hij het éne woord zal mogen ontvangen of hem alles nu vergeven is. „Petrus, kunt u mij antwoorden?" Petrus neemt Judas hand in de zijne en alle andere apostelen gaan met hen. „Ga mee met mij, mijn broeder Judas. Al uw zonden en fouten zijn vergeven. Wij gaan terug naar Golgotha. Wij gaan terug, Judas, het zal daar zijn, dat de Meester tot u komt."
En we zien en dat is in de sferen van licht te volgen, want iedereen, elke ziel van de wereld, die bewust is en de sferen van licht binnentreedt, zal naar Golgotha gaan om straks het waarachtige beeld te mogen aanschouwen. Petrus gaat met Judas terug naar Golgotha en zij beleven daar het leven van Christus. Petrus gaat met hem naar de plaats waar zij hebben geleefd, hij toont Judas hoe hij is geweest tot het laatste ogenblik, dat de Christus aan het kruis is geslagen. Toen hij dat beleefd had, gingen de apostelen terug, maar gaven hem moed en bezieling om verder te gaan in zijn meditaties, om te bidden te danken om God te vragen om vergeving en wellicht zou hij de meester mogen aanschouwen. En Judas beleeft, maar nu vanuit de astrale wereld. Hij ziet nu zijn eigen wereld voor zich en tevens de aarde. Hij neemt waar, dat de mensen op Golgotha komen en het leven op aarde zijn gang gaat, de mensen voortleven alsof er geen astrale wereld is. Hij neemt waar, dat er honderden jaren voorbij gingen dat hij daar bij al die volkeren heeft geleefd.
Hij volgde zijn leven als rabbi en hij ziet zich daar weer terug, bewust en in ontwaking, in zijn eigen wroeging, in zijn leed en smart en al zijn pijnen, die op zijn zieleleven zijn uitgestort. Hij bidt en mediteert, hij is maanden, neen, jarenlang is hij weer in meditatie, hij is niet weg te slaan van Golgotha, want hij neemt nu het astrale kruis waar, dat nooit en te nimmer op Golgotha te verwijderen is, dat steeds daar zal blijven en elk leven waarnemen kan, dat Christus voor iedere ziel is gestorven. Judas mediteert, Judas schreit, Judas vraagt, hij smeekt. Hij blijft smeken en opnieuw, gaan er jaren voorbij, zodat hij gaat twijfelen of hem wel zijn zonden vergeven zijn en of hij opnieuw moet boeten en naar de aarde moet terugkeren om, ja wat, om het leven van Christus te vertolken.
Maar dat kan hij toch niet, hij wil goedmaken, hij wil sterven, hij wil al zijn gedachten in het goede brengen, hij wil opwaarts gaan in de geest, hij wil zien en beleven, hij wil de mensheid waker schudden en het Joodse ras van de Messias overtuigen. Judas smeekt en blijft smeken en geeft het op. Hij wordt wanhopig, hij woelt weer in de aarde en is als een astrale gestalte. Maar hij voelt zich dicht met de aarde één worden, de stof neemt hem op en hij beleeft weer de ellende uit zijn vorig bestaan. Hij gaat dieper en dieper, hij wordt angstig, maar hij blijft, zelfs in zijn slaap, in het onderbewuste mediteren en als hij alles opgeeft, als de moed hem ontzinkt, als hij geen gedachten meer in zich heeft, hij doodmoe is en niet meer kan van zijn denken en voelen en zijn smeken, dan komt er een licht in hem. Hij voelt zich opgewekt, hij voelt zich als het ware gedragen, hij voelt dat er leven in hem komt. Waarachtig, is het waar? Is het waar, mijn God, dat ik kan waarnemen? Judas klemt zijn hoofd tussen zijn handen, hij durft zijn ogen niet te openen en toch, het licht komt tot hem. De hemelen gaan open, hij ziet in het Al. Voor zich ziet ,hij de hemelen, de hoogste hemelen ziet hij voor zich en de geesten en de engelen in de mooie gewaden van God. Het licht overstraalt zijn eigen leven, hij wordt warm en gelukkig, hij kan weer spreken en denken en dan geschiedde het grote wonder. „Meester, Meester, bent U het? Bent U het, mijn Meester? Ik ben weer, gaan vechten, ik wil alles goedmaken, ik wil mijzelf zijn, en mijn leven voor U inzetten. Meester toch!" Judas ziet zijn Messias. Hij hoort tot zich spreken, hij ziet voor zich de gestalte van de Christus, zijn Messias. De Messias voor het Jodendom, voor elkeen in de ruimte. Hij weet nu, dat God hem draagt en lief heeft en dan hoort hij „Judas, Mijn zoon, twijfelt ge nog aan Mij?" „Neen, Meester, nimmer meer zal ik twijfelen, maar deze krachten en wetten gaan te zwaar in mijn hart, ik kan niet meer zien, ik kan niet meer voelen. Nu ben ik gelukkig, nu zal ik waken en werken en dienen. Ik zal U dienen, Meester, ik ben overtuigd, ik wil goedmaken en als U wilt, sterf ik.' opnieuw voor U. Al mijn daden en fouten, hoop ik, dat U wilt vergeven, want ik wil zijn als het kleinste kind, als het blad van een boom, als het dier in het woud. Ik wil zijn als de aarde. Ik heb U lief, Meester." „Judas, Judas, gij zijt Mijn zoon. Kom, Judas, ga op in Mijn eigen licht. Ga op in de hemelen. Judas, je bent het kind van God. Dat de Aarde moge weten, dat er eeuwigdurende vergeving is en God niemand vervloekt. Mijn Vader in de hemelen wil, dat gij zult ontwaken. Kom, Mijn zoon, ga verder. En keer nu terug naar de sferen van licht. Ga naar Mijn broeders en zusters, ga naar de apostelen. Judas, ga naar de apostelen. Kom, Mijn zoon, wordt wakker." Judas ziet de Messias en zinkt ineen, maar een lichtende hand wordt er op zijn hoofd gelegd en nog hoort hij: „Goed zo, Mijn, kind. Goed zo, Judas, Mijn zoon. Voor iedere overwinning aan uzelf behaald, zal God u belonen. Kom en neem bewust de sferen van licht in bezit." Judas ontwaakt, hij is bewust van zichzelf en het visioen, dat hij heeft waargenomen. Hij gaat terug en onderweg ontmoet hij de apostelen. Zij verwachten hem, zij komen hem halen en voeren hem thans naar de derde sfeer in het leven na de dood. Waar nog, op dit ogenblik, Judas leeft. Hij dient, hij is bezig voor de mensheid grote dingen tot stand te brengen. De andere apostelen waren verder, maar hij gaat ook verder en hoger en zal eens de Goddelijke sferen bereiken.
En dit is, mijn zusters en broeders, dit is voor u, voor mij en voor alle andere engelen in de Hemel, dit is voor elk leven van God, dier of mens: God verdoemt niet! God is eeuwigdurend liefde geweest en zal dat blijven. Maar iedere daad, die verkeerd tot stand komt, zal u goed moeten maken. Golgotha roept ook ons een halt toe, zoals het Judas heeft gedaan. Iedere verkeerde gedachte hier op aarde moet worden recht gezet. U zult goedmaken, wat u eens, hebt gedaan. Alleen het hogere leven kan u terugvoeren tot God. Eén hard woord tegen uw ouders en u bent verloren. Eén hard woord, dat de liefde uitbant en u de hel laat zien, zal u zegenen of vernietigen. Iedere daad in het goede gedaan bouwt aan de sferen van licht. De verkeerde daden voeren u terug tot de duisternis, waarin het leven van God niet zal omkomen, maar toch zult u die ellende moeten beleven. Ik raad u aan verder te gaan in dit leven, bewust hogerop te klimmen, zoals Judas het voor ons heeft gedaan. Tracht, u en laten wij trachten iedereen te overtuigen van Golgotha. Laten wij, opklimmen en mediteren, ieder uur, elk ogenblik. Laten wij liefhebben het leven dat rondom ons leeft en tot de schepping van God behoort. Heb lief, mijn zusters en broeders der aarde, tracht u één te maken met ons leven. Maakt u gereed, dat straks, wanneer u hier binnentreedt, de sferen van licht u kunnen u kunnen omarmen. Dat u kunt ontvangen uw eigen koninkrijk, dat u kunt binnentreden in de tempels van de medici en musici, van kunst en in de liefde, dat u kunt binnengaan in de wetten van God en dat u zult ontvangen uw kosmisch bewustzijn. Doe niet één verkeerde gedachte of Golgotha roept u een halt toe en weet dat de Messias eens voor u op aarde is gestorven. Christus kwam uit het Al. Hij kwam uit het Al naar de aarde om het heilige evangelie te brengen. Maar hoe is de Christus ontvangen, hoe is Gods zoon op aarde geboren en hoe is Hij gestorven? Iedere verkeerde daad voert ons naar de duisternis, maar iedere verkeerde daad voert ons tevens tot Golgotha. Alles wat wij in het leven op de aarde doen, heeft het licht of de duisternis en het komt over ons of over uw kinderen.
Bouwt aan de sferen van licht, gaat niet in de duisternis, maar ontwaakt. Wilt ontwaken en wordt uzelf. Want het eeuwige leven wacht u. Het is niet waar, dat dit éne leven aan u gegeven is, tientallen van levens wachten u. U zult voortgaan in dit leven, als de astrale mens terugkeren tot God om het Al binnen te treden. In u leeft de Goddelijke vonk, in u leeft de kleine en korte afstemming, maar u bent Goden. U bent Goddelijk van kleur en van licht. U draagt het gewaad van God, dat u op de maan is geschonken, maar deze evolutie hebt u te volgen. Christus heeft het u gegeven. Op Golgotha heeft Hij Zijn eigen en heilig leven voor ons ingezet. Judas beleefde het daar en met hem Pilatus en Caïfas. Allen moeten het beleven, dat Christus voor ons is gestorven, allen moeten goedmaken,en zullen goedmaken wat eens is misdaan. Iedere verkeerde gedachte moet recht gezet worden, willen wij binnentreden in het rijk van de hemelen, willen wij binnengaan in het Gods-Vaderhuis, waar Licht en Liefde is. Waar u ontvangen wordt door uw eigen moeder, door uw vader, die eeuwen voor u hebben geleefd. Die als u op aarde waren en hun levens hebben recht gezet. Ik wil dienen en alles van mijzelf inzetten - want daardoor en alleen hierdoor ontvang ik het licht - wil u raden en uw weg bespoedigen.
Ga met mij of ga met Judas naar Gethsemané. Ga met mij terug naar Golgotha en laat ons neerknielen. Laat ons danken, dat wij het leven hebben ontvangen. Wees eerlijk en oprecht. Durf God in de ogen te zien en kijk dan naar het leven van God, dat u wellicht haat en wellicht nu in de tijd, dat het leven op aarde een verschrikking is. Dan roepen wij u toe : God is eeuwigdurend liefde! Maar wij zelf zijn het geweest die van ons leven een hel hebben gemaakt, wij hebben onze eigen levens verwoest, wij hebben gemaakt, dat wij de duisternis hebben verdicht en ons opgehangen hebben, omdat wij het leed en de smart niet meer aankonden. Wij hebben gewikt en gewogen, dat wat over ons kwam. Dat wij moesten dragen, dat wij moesten verwerken, dat was ons eigen oorzaak en gevolg. Maar wij wilden dat niet, omdat wij te zwak zijn, omdat wij onbewust zijn, omdat wij niet verder willen, niet verder kunnen. Wij willen steeds maar doorgaan in geluk, niet meer terugkijken in dat, wat tot het verleden behoort. Wij willen verder gaan en bewust zoveel mogelijk bezitten van de aarde en het liefst Golgotha maar vergeten.
Niet één ziel ontkomt hieraan. God dwingt ons naar Golgotha te kijken. God dwingt ons te mediteren in Gethsemané, waar Christus is geweest en u kunt geen voetstap op aarde verzetten of Christus gaat u voor. Hij wijst u het licht om tot God terug te keren, maar durft te gaan naar Jeruzalem. Durft te gaan naar Golgotha en voel aan. Voelt gij allen wat het zeggen wil de Calvariënberg te betreden en als Judas met onze handen de aarde te omwoelen, om u op te sluiten in deze heiligheid, in deze stilte van de Heiland? Geef mij het geluk, o God, geef mij deze genade. Laat mij toch ziende zijn, laat mij ziende zijn en bewust. Ik wil dienen, ik zal alles doen en mijn leven inzetten voor dit heilige, dat straks de sferen van licht mij kunnen ontvangen, dat ik mag ingaan bij mijn vader en mijn moeder, bij mijn geliefde, bij mijn tweelingziel.
Mijn zusters en broeders, ik ga weer weg. Ik wil weer heengaan, doch raad u aan ernstig aan uzelf te gaan denken. Ge hebt bewust uw hel of uw hemel in handen. Zoekt en smeekt, mediteert als u kunt. Speelt niet de schijnheilige met uzelf, maar weest open en natuurlijk, lacht en weest opgewekt! Laat het licht over u komen, laat het over u stralen. Weet wat liefde is en eeuwig dienende liefde zal blijven. Het ligt aan uzelf of u Golgotha aanvaarden wilt, de Christus ziet als de Messias en niet zoals de Joden. Sluit uw ogen niet voor dit heilige en waarachtige wonder. Wij zeggen u vanuit het heelal is dit tot ons gekomen. Christus leefde op aarde. Hij is de Messias. God's zegen kome over u allen, moge u geluk ontvangen, moge u ook bezieling krijgen. Moge u eenvoudig zijn tot aan uw leven, moge in u komen de heilige bezieling om te dienen en te weten en het licht van Golgótha aanvaarden. Durft te denken……. Durft in te gaan in de wetten van God. Durft te voelen en te mediteren in dat wat tot uw eigen verleden behoort. Wij zeggen u: „U bent niet voor het eerst op deze wereld. Miljoenen malen was u hier, anderen zijn u voor, zij gingen verder. Maar hebben eenzelfde weg als u moeten afleggen, hebben begrepen, dat de hellen er zijn en dat wij zelf de hellen hebben verdicht." Ik roep u toe vanuit deze wereld:
„Waakt over uzelf. Durft af te dalen in uw eigen ik en verbreekt de wetten met het kwade. Gaat in het licht, dat God u toezendt, waarin wij leven, waarin wij bewust zijn geworden. De enige mogelijkheid voor u om tot God terug te keren. Het is dat, waarvoor u dienen zult, waarvoor u zult ontwaken en u het kosmische bewustzijn zal gegeven worden."
Mijn geliefden, het enige gebed hetwelk op Golgotha voor u uitgezonden is, heeft Judas gedaan. Denkt niet, dat hij een verrader is, verbant deze gevoelens en gedachten, die men hem opdringt. Ban hen weg. wilt terugkeren tot het begin. Judas verraadde zijn Meester niet, hij wilde zijn Meester aansporen tot daden. Hij wilde, dat de Messias de Joodse Raad toonde, dat er wonderen tot stand konden worden gebracht met behulp van God en het éénzijn met de Almachtige in het Al. Dit wil ik u zeggen, dit is ook voor u en voor mij en voor allen en voor al het leven in de ruimte. Willen wij opgaan in de liefde, in de bewustwording van God, ga dan met mij of ga met anderen. Ga met uzelf en keer terug naar Golgotha en zie hoe dan het licht schijnt. Dat het nimmer meer verduistert. Dan is het een eeuwigdurend verder gaan, maar bewust. Bewust in het leven van God, in de liefde, in het aller- allerheiligste bewust. Dan zal God ons zegenen. Dan komt Christus tot ons en dan zien wij Zijn heilige gestalte.
Amen.

Golgotha, deel I en II uit Europese Heraut  nrs, 85 en 86, april 1957

Jozef Rulof / Meester Zelanus