De Tempel der Moeder
Deel II

 

In ons voorwaarts gaan, vrienden, krijgen wij een weemoedig gevoel en toch willen wij verder, want wij zijn nieuwsgierig wat daar binnen leeft en of wij daar iets van de Schepper mogen waarnemen. Dat denkt u en dat dachten wij, toen wij het eerst voor dit gebouw stonden en de uitstraling waarnamen, die van verre tot ons kwam en de lichtende gestalten die door de hemel zweefden als vonken van God en ons de heiligheid lieten voelen en dat de directe in contactkoming met God voldoende onze eigen-ik gevoelens smoorden. Ziet u, als u dat wilt, ga dan met mij, wij zullen dan dichter en dichter de tempel naderen en op het platvorm plaats nemen, trede na trede opwaarts gaan en daar voelen wat tot ons komt. Ook dat kan u voorbereiden, alles wat hier leeft kan u helpen, vraag aan een bloem haar kelken te openen, en een vogel voor u te zingen, vraag aan de mensen, die hier leven om u aan te zien, zend dan uw gevoelens tot hen en u ontvangt deze terug, duizendvoudig, en dat zijn de krachten, die door uw hart gaan en uw zieleleven wordt opgetrokken in het eeuwige nu, waarin wij leven. Voor ons staat de Tempel van de Moeder, op de eerste trede zullen wij plaats nemen, op de knien neerliggend, onze hoofden gebogen in deemoed en eenvoud, in de volle overgave als mens. Wat komt er dan in u? Ik ben geheel leeg, ik wil geheel leeg zijn. Zal ik voor u bidden? Wil ik voor u vragen aan de Meesters of u geholpen kunt worden? Wellicht bidden wij anders dan u, maar toch zal ik trachten u te helpen, wij smeken niet, wij vragen slechts. Een eenvoudige vraag van een kind, dat wil buigen, dat wil ontvangen, dat wil dienen, dat wil opengaan, dat kind vraagt om hulp, om diepte, om waarachtige diepte zoals de natuur die kent. Om waarachtig iets van hetgeen te ontvangen wat tussen leven en dood leeft en waarin u bent, waar God is. Toch komt tot ons de behulpzame hand voor de verdere diepte van ons eigen-ik. Die hand, die ons toegestoken wordt, overlaadt ons met diepe en waarachtige gevoelens, gaan regelrecht door naar ons hart of naar de zonnevlecht, het centrale stelsel van ons eigen-ik, doorvoerd en doorspekt met kracht om te kunnen voelen wat dit majestueuze gebouw in zichzelf verbergt, laat ons opwaarts mogen gaan in deze diepte. Geef ons alles wat wij nodig hebben. Wij verlangen geheel ons zelf te zijn, deze steun te mogen ontvangen; willen wij alles doen wat ons eigen-ik verplettert. En zie, er komt een kracht in mij. In mij komt liefde, in mij trilt er iets, ik wordt wakker en bewust, ik kan verder zien en voelen. Ik ga dieper en dieper in de sferen over en ik ga voelen wat deze treden te betekenen hebben, waarop ik lig. Ik voel mij gedragen, ik voel steun en kracht, dat spreekt vanzelf, maar wat in mij komt ging door mijn zieleleven heen en bracht mij de liefde van mijn eigen-ik. Mijn onderbewustzijn ging ontwaken, dat is het waarom ik vroeg, waarom ik God bad om mij dat geven, te willen schenken, omdat ik kan ingaan in deze heiligheid. Meester help mij, ik ben gereed, ik wil verder gaan. Maar daar ginds kijkt iemand, staat iemand. Een sferenmens. Als u ook kijkt dan ziet u, dat dit een mens is uit de tweede sfeer. Het is een reiziger, die even mag nagaan waar hij leeft, die mag voelen en denken zoals wij, maar die terug moet keren omdat hij ons stoort, omdat hier geen stoornissen worden geduld.
Opnieuw moeten wij ons instellen op ons zelf en onze gedachten daarheen voeren, naar de tempel en vragen of het nu reeds mogelijk is om binnen te mogen treden. Wij gaan hoger, trede voor trede opwaarts en voelen wij ons veranderen. In mij komt er stilte, bedenkelijk te voelen is deze stilte. Dus ik ben nog steeds mens. Ik voel mij als mens gedragen, ik voel mij als mens en ik moet mij als mens voelen of het heeft geen betekenis dat ik hier leef, dat ik hier voel, dat ik hier zie, waaruit ik ben voortgekomen. Uit dit wat het eeuwige leven mij kan bieden. Ik ga opwaarts, ik sta op het plateau, ik sta voor de opening van dit machtige gebouw. Velen met mij zijn zover en gaan binnen en dan zien wij, dat allen hun hoofden buigen voor deze heiligheid van God, dat hier de moeder is. Wij hebben de moeder lief, wij achten haar hoog, omdat zij dicht bij de schepping is, omdat tussen haar en God geen kloof meer is, want zij beleeft in haar eigen graad de schepping. Hetgeen God geschapen heeft kan zij aanvaarden en voelen en dat ontstaat in haar eigen-ik-zijn en het leven waarin zij is groot gebracht. Ga dan in, staat hier geschreven, wat ik voel en zo gaan de deuren voor mij open en stromen wij met duizenden tegelijk binnen in deze heilige omgeving. Maar wat ons wacht, dat weet ik niet. Dat zult u voelen en zien als het zover is en gij uw eigen-ik-zijn naakt voor u ziet, zodat u de angst overvalt, omdat u de werkelijkheid van uw zieleven gaat voelen.
Mijn vrienden, ik ben door gegaan met kennen en waarderen. Het licht in de sferen verdwijnt voor mijn ogen en dat betekent, dat wij met een ander stadium worden verbonden. Ik zie niets, in deze tempel is een leegte, maar ik voel mij met de ruimte n komen. De ruimte neemt mij op en dat is het hart van de moeder, van God en van ons zelf, waarvan wij vonken zijn en het leven hebben ontvangen. Ga ik dieper weg, dan twijfel ik geen ogenblik meer of ook de sferen zinken onder mij vandaan en ga ik in andere wetten zien die voor deze zijn geschapen en de overgangen zijn voor al dit leven, voor de stoffelijke en voor de astrale wereld, waarin wij nu zijn. Ik moet echter terug naar de allereerste ogenblikken van ons eigen-ik toen wij in het embryonale stadium verkeerden en daarin leefden en ontwaakten en nog verder moet ik gaan, wil ik in het moederlijke leven afdalen en haar zien zoals zij daar is geboren. Dan kom ik tot God, dan kom ik tot de schepping, dan kom ik tot dat, waarvan ik denk waaruit ik ontstaan ben, waardoor ik geboren ben, wat mij licht gaf, mijn ogen en mijn voelen en mijn denken. Het denkvermogen, om dat vast te stellen wat ik zie en het voelen om te ontwaken. Als ik mij dan laat gaan en mij overgeef aan deze diepe wetten, dan komt er diepte en stilte, een oneindige stilte in mij. Dan zie ik de duisternis tot mij komen, ik behoef mijn ogen niet te openen want ik voel het, overal waar ik zie, is er duisternis, diepe, diepe duisternis en stilte.  
Vrienden, dit is het ogenblik waarin wij zijn toen er nog niets bestond. Toen was er nog niets, de eerste openbaring van God zou nog plaats vinden. Maar voel eens deze stilte. Voelt gij uw eigen hart niet kloppen? Zijn uw ogen open om te kunnen zien? Als u dan ziet dat er toch nog trillingen om u zijn, uw hart beroerd wordt, als de heiligheid van deze stilte u angstig kan maken, dan raakt u de diepte, de poort van deze heiligheid en ik treed nu in het hart van de moeder binnen. Volg mij, maar blijf wakker en bewust, wees voorzichtig in uw denken en ga niet te ver, want u leeft in de ruimte. U bent ruimtelijk diep, u bent zo diep als de schepping is en God geschapen heeft. Ik kniel neer, ik voel mij gedragen, mijn eigen-ik oplossen, ik ga als ik u open voel in het Al over. Wees verzekerd, dat u niets kan geschieden omdat de Meesters bij ons zijn. Ga in de moeder en vraag haar te mogen ontwaken, vraag haar om kracht en thans om liefde, zodat zij mij voeren zal tot het eerste ogenblik van haar eigen geboorte. Dat is het, dit wil ik u schenken. Luister dan, voel toch aan wat het zeggen wil thans in haar hartkamer te leven. En als u dat voelt dan is er geen licht meer en komt er een heiligheid in u, die u niet kent, maar die alleen van God is. De Meesters willen dat gij dat doet op de volgende wijze, zodat het intreden en het ingaan beleefd wordt zoals de overgangen zijn geschapen, zoals graad na graad in de ruimte tot stand kwam en de planeten zijn, door God in elkaar gezet in deze ruimte, die een eigen baan hebben te beschrijven en dat de moederlichamen zijn voor de massa. Wat wij dan zullen beleven zult u zien en gaan uw ogen open en leert het moederlijke hart u zoals wij, mensen zijn, en er een afstemming in ons is, hoog en laag, altijd door kunnen wij gaan, want wij zijn Goden. Dit is het ogenblik van vr de schepping. Toen, na dit ogenblik, kwamen er andere trillingen, deze stilte ontwaakte en in die trillingen kwam licht en we zien de eerste  nevelen ontstaan waaruit wij zouden geboren worden. Ik zie kleine lichte wolkjes, wazig zijn ze nog, maar die wazige wolkjes gaan zich verdichten en dan zie ik vonken en daarna, het kon eeuwen en eeuwen duren voordat wij zover waren, dan zie ik druppels, een watervlek, die zich verdicht en tot uitbarsting komt. Een afscheiding vindt plaats en ga ik zien, dat uit deze stilte verdichting is gekomen, die mij met het embryonale leven verbindt, ziet u. Als u de boeken van mijn Meester, "Het ontstaan van het Heelal", die door hem door wie ik spreek aan de aarde zijn geschonden, leest, dan komt u tot deze wetten en gaat u daarin over waarheen ik u voeren wil en waarin u ziet en voelt en in uw eigen-ik afdaalt. Als u dieper hierin wilt leven, lees dan deze boeken. Uw hart open en uw lippen dicht op elkaar klemmen, zodat het hart kloppend de weerstand kan verbreken. Uw zonnevlecht zal uitzenden en dan komt er vanzelf het ontwaken. Dan daalt u met mij in deze wolkachtige massa af, u ziet afscheiding na afscheiding komen en ziet u als ik even verder ga, de eerste en tweede dood, die vr en n dit leven plaats vonden, maar waardoor God Zijn eigen leven gestalte gaf. En dat is de bedoeling, dat is de bedoeling van God, omdat Hij door dit leven het menselijke wezen schiep dat door miljoenen en miljoenen eeuwen her een plaats op aarde heeft ontvangen en nu de schepping bewoond is in alle graden in de ruimte, in de kosmische ruimten, en het leven tot God is teruggekeerd, zien wij dat beeld en hebben wij dat leren kennen en dan begrijpen wij wat de bedoeling is geweest van God op dit ogenblik en waardoor de moeder met God tot het heilige nzijn kwam. Want dat is de bedoeling, dat is hetgeen God mij gaf en u, waardoor wij het leven hebben gekregen en dat door de liefde van Hem ons ingaan zou verzekeren. Heilig is dit ogenblik, waarin wij zien dat het embryonale stadium tot leven komt. Wat voel ik dan? In mij is er leven en in mij is er dood. In het eerste wat ik ontving daaraan lag vast mijn sterven op aarde, maar als embryonaal leven - ik ga vlug met u deze stadia na - en het is de maan waar op wij waren die ons het leven voor het stoffelijke leven en de astrale werelden gaf, waardoor wij ontstonden en het licht kregen en het gevoel, waarin wij - door die werking waarin wij waren - tot groei en bloei kwamen, waardoor die verdichting mogelijk werd. De tweede verdichting ging verder, de ziel kwam vanuit de astrale wereld en werd aangetrokken en kreeg het organisme als cel, maar niettegenstaande dat kleine nietige vonkje, leeft daarin toch het moederschap en het scheppende individu, dat de stimulans was, het essentile bestaan voor dit en de volgende levens na deze. Dit gaf God ons uit Zijn eigen hand. We kregen dit geschenk om verder te gaan, het leven te leren kennen en om tot Hem terug te keren. Dat was de bedoeling en dat kregen wij, dat ging dicht in ons bloeien en groeien. Wij kwamen verder totdat de dood kwam, totdat de dood ons weg nam uit dit leven en omdat wij onze eigen taak hadden volbracht en het teruggaan in die wereld konden ondergaan en kwamen wij tot rust, maar op tijd werden wij opnieuw aangetrokken, opnieuw kregen wij een leven dat de maan ons kon bieden en betekende dit de tweede afstemming, het volgende stadium. Groter was dit celleven, meer bewust en tot de werkelijkheid gekomen van dit stoffelijke zijn, waarin wij tot werking kwamen en alleen tot werking dienden. In niets waren wij bewust, wij waren vonken, cellen waren wij, stoffelijke cellen, maar mannelijk en vrouwelijk. Het moederleven scheidt zich hier af van het mannelijke, het celleleventje dat zich als moeder voelt, schept, en toch de man is het, het stoffelijke scheppingsindividu, dat geeft, maar de moeder na het ontvangen ondergaat de schepping, is n met het Al en de ruimte, maar in dit stadium, alleen in dit stadium voelt het en leeft het en werkt het, maar het heeft nog geen moederliefde, het gaat alleen door om te bevruchten en te dienen, het geeft het leven aan een andere cel, wat God van ons wil, want God sprak: "Ga en vermenigvuldigt u. Ga door de sterren, ga door de planeten en helpt, dient elkander, hebt lief wat Ik lief heb en vergeet nooit en te nimmer, dat ge tot Mij terugkeert."

Uit europese heraut, 4e jaargang, nr 89, 1 juni 1957.

Jozef Rulof / Meester Zelanus