De Tempel der Moeder
Deel IV

 

Voelt u, ik wil in het nu overgaan en u aantonen dat in de tempel van de moeder, in de derde sfeer, het AL beleefd kan worden. Dat wij daar kunnen binnentreden in de heiligheid van God, omdat wij door de ruimte gingen, varend van planeet tot planeet, dat wij gingen in de stoffelijke werelden en in de astrale wetten, dat wij gingen zien en voelen, dat wij gingen ontwaken in onszelf, dat wij zouden betasten Zijn leven en in Zijn heiligheid, ja, dat wij daarin rustende, voor ons eigen-ik het diepere wilden ontvangen. Maar dat kunnen wij niet ontvangen. Dat is alleen te beleven, het is alleen te voelen, dat is alleen mogelijk als wij willen afdalen in het leed en de smart op de aarde. Dat is het. In de weeën van de moeder, in haar hart willen kijken, maar met onze liefde gevuld of wij worden neergesmakt in de duisternis, waarin zij zijn, die zichzelf hebben vervloekt. Ik wil u losmaken van de aarde, ik wil u hier als moeder laten voelen hoe de dood ons roepen kan, maar dat wij ook terugkeren om de stoffelijke wetten van moeder Aarde te kunnen ingaan. Als ons eerste stadium aan ons opgedrongen wordt, als de tweede kosmische graad ons los laat en de derde ons aantrekt, dat de aarde is, dan komen wij in het nu, dat is het oerwoud, waarin de eerste rassoorten zijn, die naar de zevende stadia moeten opklimmen en het blanke rassoort is waarin u leeft, ziet u. Daarin komt de eerste dood, dat wil zeggen, dat u als schepper, als man dit leven hebt aanvaard en uw eindstrijd hebt behaald, zodat de dood komt. Dan wordt u naar dit leven gezonden. U neemt afscheid van de aarde, maar u treedt een ander leven binnen en valt dan in slaap. Maar verwerkt eerst wat u in dit leven hebt beleefd, u gaat voelen en denken, u gaat dat na van uw eerste prille jeugd af tot het laatste ogenblik: de snik.
Het fluïdekoord breekt en uw lippen verstommen. Dan kunnen uw ogen zien in de ruimte, even maar slechts, dan valt u al in slaap, want u bent moe, het stervensproces heeft u afgemat. Dat heeft ieder diertje beleefd, ieder mens, al het leven moet dat ondergaan, dat met God een lijn in de ruimte omwandelend verspreidt, dat wil zeggen, dat u ingaat en omvangrijk wordt, omvattend, een planeet op uw handen legt en zegt: "Zie, dit is van mij, dat heb ik verdiend, dit is aan mij gegeven, ik behoor tot dat wat van God is, tot zover ik het bewustzijn heb ontvangen." Voelt u, dat wij tot Hem terugkeerden? Vanuit het oerwoud gaan wij snel verder om het hoogste en het laatste op aarde te kunnen bereiken, voordat het eigen-ik aan zijn fouten gaat beginnen. Dat is het karma. Vanuit het oerwoud gaan wij in de eerste, tweede, derde en vierde graad, dat zijn de rassoorten op aarde, over, wij worden man en vrouw, maar telkens weer als ik het ik-zijn heb beleefd, als ik heb gediend en de moeder dat gegeven heb waardoor het jonge leven tot leven kwam, dan moet ik naar de ruimte, dan moet ik verder, maar in het leven op aarde beleef ik niets van de eigenlijke schepping, want ik kan niets in mijzelf zien. Dat kan alleen de moeder, voor ons is de schepping niet te beleven, omdat ik scheppende ben, ben ik als vader en God is dan als Vader. Maar als moeder ga ik in de diepte, in het waarachtige leven van God over, het groeit en bloeit, het ontwaakt, het stolt, het dijt uit, in mij, als moeder. En dan komt het leven, het leven is bevrucht, van de diepe ziel, het is aangetrokken door het machtige leven, door de Schepper. God legde dus in mij het vader- en moederschap. God gaf mij alles, de ruimte, God maakte van mij een planeet, van u als mens. Het planetenstelsel komt dichter en dichter, ik ga door, ik ga verder, ik zie opnieuw in dit leven, ik kom tot het bewuste-ik in voelen en denken, ik maak mij iets eigen dat tot uw aarde behoort. Het is het menselijke, het is het menselijke bewustzijn, de intuïtie, ik krijg intuïtie. Het instinkt valt van mij af, ik ga dieper en dieper de wetten zien en leren kennen, ik daal af in het soort, ik daal af in het monsterachtige, het dierlijke, het voordierlijke, het grofstoffelijke, ik daal af, ik ga verder, in het heilige, het waarachtige, ik wil liefde, ik wil groot zijn, ik wil eenvoudig zijn, ik wil voelen en denken, ik wil warmte, ik wil zijn zoals God het heeft bedoeld, ik wil voelen zoals de moeder zich voelt als het kind in haar leeft; als het kind roept, als de eerste woorden gesproken worden tussen hem en haar, als dat leven ontwaakt, dat wil ik zien, dat wil ik voelen. Ik wil mij machtig en sterk maken, ik wil verder gaan, ik wil, ik wil God zien, ik wil mij tastbaar voor Hem zien, ik wil zijn zoals het licht, als de duisternis. Ik wil het schreeuwen benaderen van de jakhals, ik wil het leven zien van een slang, als het mij geven kan ontwaking, als het geven kan de bewustwording voor het hoger ik. Ik wil zijn als hij, wil zijn als zij, als de moeder. Maar wanneer komt dat ik mij? Kan ik dat ontvangen als ik in het oerwoud ben, als ik daar onder die bladeren lig en ik inslaap en ik doofstom ben van gedachten voor het bewuste leven, wat de intellectualiteit kan zijn dat het blanke ras bezit? Moet ik daar blijven in die duisternis van de bomen, van het oerwoud om daar mijzelf, mijn eigen-ik, dood te laten bloeden slaag te geven, wat het sterven kan zijn in het niets, of onder de bomen door het wilde beest aan stukken gescheurd te worden. Dat kan niet, dat is niet mogelijk. God gaf mij niet hier dat oerwoud, God gaf mij een ander rassoort, het blanke ras. God gaf mij het eeuwigdurende leven, het leven na de dood. De astrale wetten leven in mij en ik maak deel uit van dat wat God is dus ik moet verder. Ik ging door naar de Eskimo's, ik ging door naar de Japanezen, naar de Chinezen en overal, in ieder volk van de aarde kwam ik, ik kwam daar als moeder en vader. Ik kwam daar als kind, ik ben opnieuw geboren en moest sterven. Ik ging opnieuw tot het onbewuste over, want ik ben nog niet bewust, ik heb alleen nog het dierlijke in mij, ik ben nog geen mens, ik ben nog niet tot het blanke ras gekomen, als man en vrouw. Ik moet door al die stadia heen, die Moeder Aarde mij geeft, die de moeder bezit, die Moeder Aarde heeft en dat de wetten van Moeder Aarde zijn, waarin ik ben, omdat de moeder een planeet is. Van graad tot graad ging ik, ik ging van moeder tot moeder, van man tot man, van schepper tot kind.
In al die duizenden levens beleefde ik één wonder, het allerheiligste wat er is, ik beleefde het tweede wonder, ik beleefde de dood en het leven, ik kwam tussen leven en dood, ik kwam in de kosmos, in de ruimte, in het oneindige en op aarde. Ik kwam overal waar het leven mij het licht gaf, het voelen en denken, het bezielende woord werd gesproken. Ik leerde vader en moeder begrijpen, ik leerde mijn zuster zien, mijn broeder, ik ging door naar de intuïtie, naar het instinct, naar het gevoel en hoger, naar het menselijke zijn. Dat zijn wij, dat bent u, dat ben ik. Ik leerde Christus zien, ik ging naar Golgotha. Ik kwam van Golgotha terug tot de aarde, van de aarde naar de hemel, naar de astrale wetten. Weer kwam ik terug, Moeder Aarde hield mij vast. Ik ging in mijn eigen karma over, ik moest goed maken wat ik verkeerd had gedaan. Daarna eerst kwam er licht, toen ik dat zag, begreep ik dat de aarde mij had losgelaten, dat de aarde mij zei: "Ga heen, ga verder, ik laat u los en ik voer u terug tot God." Maar d.w.z. in het astrale leven, in het leven hierna, in dat wat onzichtbaar is voor de stoffelijke mens, maar waarin wij leven en waarin wij groot zijn en waardoor deze tempel geschapen is; u leeft in de ruimte. Ik kwam in het schemerland, wellicht - ja zeker, vrienden - wellicht in de hellen, maar wij gingen verder, wij wisten hoe wij  ontstaan (waren, red), hoe wij geboren waren, wij wisten hoe wij ons los konden maken van het duistere geweld, wij wisten dat er in ons is licht en liefde, dat God ons gaf Zijn eigen leven, dat wij verder gaan.
Toen kwam de schok, een enorme schok in ons, ons hart klopte zo ontzagwekkend, dat wij angstig werden voor het ogenblik dat de duisternis ons opnam. Daar kwam het licht, wij werden geholpen, wij werden opgenomen in de stilte van de moeder, wij werden op aarde gedragen en keerden terug en daarna kwam het bewustzijn. Het bewuste-ik beleefde, het zwijgende werd woordelijk uitgedrukt; het bespreken is daarin niet mogelijk. Wij gingen ontwaken, wij kregen licht, wij gingen waarderen, dat de liefde het allerhoogste, het heiligste is door God geschapen. Wij gingen zien dat God leven is, want dat leven kwam in ons, dat hebben wij als man, als kind, als moeder beleefd, maar als moeder stonden en voelden wij dichtbij het Goddelijke in ons, dat ons in deze tempel van graad tot graad gegeven werd en toen eindelijk de aarde ons los liet, konden wij heengaan naar het eeuwige leven en zagen wij de eerste gestalten tot ons komen, Ja, eindelijk dan zien wij dat wij uit het schemerland zijn gegaan, dat wij de sferen van licht kunnen zien, dat wij dieper en dieper in dit leven dringen naarmate ons bewustzijn vordert. Wij gingen van het ontwaken over tot een hogere bewustwording. Ik zie de eerste sfeer en wij gingen naar de tweede, een violet blauw licht is zichtbaar. De bloemen verwelkomen ons, de bomen spreken, de bloemen zeggen hoe het leven is ontstaan en hoever de vogels zijn gekomen en hoe de eerste mensen, die de sferen van licht hebben bewoond, tot zover waren gekomen. Het leven gaat zien, het leven gaat met ons mee, het bidt, het strijdt, het vecht voor het eigen-ik en heeft lief, echt en waarachtig lief. Dan komen wij terug voor de tempel van de moeder. Wij gaan terug, even maar, wij dalen af en zien in de wateren, wij zien in een beek en zien daarin onszelf. Hoe zijn wij veranderd. Onze stralende handen hebben het licht opgevangen, dat wij onderweg hebben gevoeld. Het kwam in ons, onze harten klopten, onze ogen verwaasden, onze zonnevlecht schitterde, weekachtig diep is hetgeen God ons gaf. Dan gaan wij terug, wij willen de treden op en nemen de poort, alle poorten, in ons op. Wij zien mensen opnieuw naderen, wij zien onszelf neergeknield in de tempel van de moeder, dan bidden wij. Wij gingen van ruimte tot ruimte. Ik sta achter mijzelf. Wat heb ik beleefd? Mijn God toch, wat gaf u mij? U gaf mij het eeuwige leven, U gaf mij het licht, U gaf mij de eigen kern. Uw vonk, ziet u. Uw vonk wil beleven en zien, Uw vonk gaf U alles. U gaf mij het licht, het leven. De smarten wil ik bewaren. Ik wil mijn hoofd buigen, ik wil mij ziende maken voor Uw altaar, ik wil zijn zoals de kinderen van U die opwaarts gingen in het oneindige, die een vijfde, en een zesde en een zevende hemel hebben bereikt. Ik wil straks zijn als een Meester, ik wil zijn als zij die tot mijn spreken, die mij omarmen en die mij ontvangen in hun eigen woning. Die zeggen: Treed binnen in mijn eigen hart en zoek mij op, maar buig uw hoofd, volbreng de stilte. Wees lief, wees vader en moeder."God, mijn God, U gaf mij het licht. U gaf mij Uw moederhart, spreek tot mij. Ik wil zijn zoals de anderen, zoals zij die het leven hebben bereikt. Ik wil bewust worden, ik wil ontwaken, ik wil liefde geven, ik wil dienen, dienen wil ik, steeds dienen. Ik zal mij inzetten en mijn leven geven voor hen, als ik moeder ben. En ik zal mijzelf kraken, als het moet voor haar, die mijn moeder is, die mijn leven draagt, door U aan het leven gekomen, door U als vonk van Moeder Maan af gestuurd en gekomen in de sferen van licht op de planeet Aarde, waar wij leed, het bewuste leed en smart hebben leren kennen. Daardoor gingen wij door het ontwaken naar een heiligheid, die ver en boven deze ligt en zien wij voor ons en verwaast ons nuchtere ik. Wij doden dat ik, wij geven het geen voedsel, wij willen stijfheid, wij willen het laten doen verdwijnen, want het andere ik komt op. Het warmt ons, het stuwt ons omhoog, het gaf ons het heilige licht, het deed wonderen. God is het, alleen God kan het zijn, als vader en als moeder. Maar als vader schiepen wij en als moeder gingen wij ten onder, gingen wij over in al deze wetten, in al deze machtige gebeurtenissen en voelden wij ons eigen-ik stralen. Als moeder dienden wij, als moeder gaven wij ons eigen leven aan dat van een ander. Als moeder droegen wij het leven van God onder ons hart en gingen wij van de ene graad in de andere. Wij gingen verder en hoger, van sfeer tot sfeer en daar kregen wij het duidelijke zicht, het allerlaatste ogenblik om het tweeling-zieleleven te ontvangen en daarin binnen te treden om de heiligheid van het leven te zien: God als Moeder. God als Moeder, zo is het. Dat te zien en te voelen, vrienden, is het machtigste en het mooiste, dat het heiligste is om tot het ontwaken te komen, waarin dit leven is en blijft, waarin dit leven groeit en stuwt. Want door de moeder overbrugt u de kloof tussen u en uzelf. Heb lief de moeder, ga in de moeder over, want weet dat zij u baart. Weet dat zij stuwing is, dat zij het leven schonk zoals God ons het leven gaf. Kunt u dat als schepper? Heb dan eerbied voor hetgeen tijdens het ontwaken geschiedt. Heb dan liefde voor dat wat door haar leven heen ging en dat uw vlees en bloed is geworden, maar waardoor de schepping  is ontstaan. Ga dan in deze tempel, kniel er neer en buig uw hoofd en vraag of u mag ontwaken. Vraag het aan de Meesters. Zij komen tot u. Vraag het aan God zelf. Vraag het aan iedere engel. Allen die het leven aan deze zijde hebben ontvangen zullen het u schenken als het voelen en stuwen in u is, als de waarachtigheid van uw eigen-ik spreekt. Dwaalt niet, maar vraagt, durft te vragen. Smeekt als u het weten wilt, smeekt. Beleeft, dient, smeekt innig en het komt, het komt tot u. Als ik mij voel ontwaken, dan gaat u met mij en nemen wij afscheid van de tempel. In de derde sfeer staat een majestueus gebouw. Het gebouw is opgedragen aan de moeder, door de Meesters uit de zevende sfeer in stand gehouden. Wilt u zichzelf leren kennen? Daalt dan in de moeder af, in uw eigen moeder. Volg haar in haar doen en laten, dan leert u haar kennen. Voelt liefde voor haar grootse taak, zegt nooit één streng woord dat haar innerlijke intuïtie smoort en u bent verloren. U ontglipt de machtigste wetten van God en men stoot u uit dat wat alleen te voelen en te beleven is. Kijk in haar hart, kijk in haar ogen en vraagt dan om liefde. Zij bezit het, zij is ruimtelijk diep, zij is heilig. Heilig, omdat zij tijdens haar dragen met God verbinding heeft. Daarom hebben wij haar lief en eren wij haar, gaan wij in haar over en leren wij door haar God kennen , de hemelen en de hellen, maar vooral de hemelen, het licht en de duisternis. Wij voelen haar hart, haar duidelijke hart, tikken, in ons komen. Dan weet u wat het zeggen wil lief te hebben, lief te hebben wat leeft. Dan voelt u zich één der onzen, dan zweeft u tussen de ruimte in, tussen leven en dood. Dan komt u in onze wereld, dan ziet u de sferen voor u en ons in onze prachtige gewaden, die licht uitstralen, waardoor onze daden tot stand en tot groei kwamen. Zij kwamen uit onszelf zoals de moeder haar kind baarde. Kent u God, voelt u God als Vader? Ziet daar hoe wij in de sferen God als Moeder hebben lief gekregen. Wij als mensen, als kinderen van God de moeder hebben leren kennen en waarvoor de Meesters een majestueus gebouw hebben opgetrokken en door hen in stand wordt gehouden. Ga in uw zelf, daal af in de moeder, ga op aarde in ieder dier wat het moederlichaam bezit over en tracht God te zien in een graad van leven. Dan voelt gij uzelf, dan weet u ook dat u eens, vele eeuwen terug, daarin was en kunt gij voelen en denken wat gij in die tijd hebt beleefd. Als u dat dan voelt, dan is het leven in u. Dan kunt u ontwaken als u wilt, dan kunt u opgaan in de wetten en dan komen wij, die het leven na de dood hebben aanvaard, in de wetten van God bewust werden opgenomen, tot u en dan zijn wij één, geestelijk en lichamelijk. Dan beleven wij de liefde van de moeder en voelt God ons en werd God als Vader maar ook als Moeder, een heiligheid in ons. Dan legt God Zijn handen op onze hoofden en zegt: "Goed zo, mijn kinderen, zo is het goed. Zo ontwaakt u. Zo leert u Mij en leert gij uzelf kennen en weet u wat het zeggen wil moeder te zijn op aarde. Lief te hebben Mijn eigen leven, bewust te worden van de wetten van Mij, die u tussen leven en dood kunt zien en voelen, die u daar kunt ontvangen als u voelt. Als gij in u wilt gaan, in uw eigen-ik en dat wilt laten sterven wat niet deugt, wat verkeerd in u is, wat u neerhaalde en uw eigen-ik vastlegde."

Mijne vrienden, wij keren terug tot de aarde. U zult uw ogen open doen, u weer voelen als mens daar en toch zal er in u zijn het gevoel dat u eeuwen in de ruimte was, op de maan hebt gewandeld en gevoeld, dat u in het embryonale leven het bewustzijn hebt ontvangen  en in de sferen van licht een tempel open ging, dat de moeder u toelachte en haar ogen u overstraalden, dat uw gemoed opgevoerd werd naar de stilte en dat u God zag in eigen persoonlijkheid, in planeten en sterren, in dier en mens, in de stoffelijke en in de astrale wereld. Dat hebt u gezien, laat dit bij u blijven. Laat dit in u ontwaken en ga dan in uw eigen kamer van uw leven over als de stilte weer in u komt. Want er zijn er miljoenen in deze ruimte om u en waar u zich ook bevindt, die u willen helpen om u steeds weer opnieuw op te trekken, om u te doen ontwaken. Want ook zij ondergingen deze wetten en hebben ze beleefd; allen, die met mij zijn en aan deze zijde het licht hebben gezien en zich dat licht hebben eigen gemaakt.
Ik groet u, ik ga nu heen. Ik neem afscheid van u, doch zeg ik u nogmaals: God is Liefde, God is Vader en Moeder. Maakt u dat vaderlijke eigen, wees een vader van liefde, maar eert de moeder. Hebt dan lief met uw volle wezen, alles wat in u is, zet dat in voor haar, voor haar alleen en het geluk overstralen u en de uwen. Amen.  

Uit de Europese heraut, 4e jaargang, no 91, 1 juli 1957. 

Jozef Rulof / Meester Zelanus