HET PROBLEEM

 

                  VAN DE KERKEN

 

  

Een probleem --- wat in feite geen probleem is --- wordt hier behandeld door Alice A. Bailey. In doelbewuste stellingen geeft zij haar inzichten. Inzichten, welke aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten.

In een inleidend woord in haar boek “Problemen der mensheid” ( Uitg. Service. Den Haag ) lezen we over dit onderwerp: de nieuwe wereldgodsdienst zal belemmerd worden door hen die aan de letter van de Bijbel geloven, de bekrompenen en door de theologen van alle godsdiensten ter wereld, door hen die zullen weigeren de oude interpretaties en methoden los te laten, die met hun hart hangen aan de oude leringen en de voorstellingen daarvan onder de mensen, alsmede door hen die de nadruk leggen op vormen, op riten en ceremonieën, op ritueel en op pracht en praal, op autoriteit en op het oprichten van stenen gebouwen in deze dagen van gebrek en behoefte en van uiterste nood voor de mensheid. ( Opgemerkt wordt dat het boek in 1944 werd geschreven. )

De Katholieke Kerk wordt hier geconfronteerd met haar grootste kans, doch ook met haar grootste crisis. Het Katholicisme is gebaseerd op overoude traditie, zelfbewust wat betreft kerkelijke autoriteit: uiterlijke ritualen en vormen vinden er weerklank, maar zij is --- niettegenstaande het feit dat zij een wijdverbreide en weldadige filantropie beoefent --- in het geheel niet in staat haar kinderen vrij te laten.

Het vraagstuk van de vrijheid van de menselijke ziel en haar individuele verhouding ten opzichte van de immanente en de Transcendente Godheid is het geestelijke probleem voor alle wereldgodsdiensten in de huidige tijd. De kerken dienen niet langer hun gezag en hun interpretaties tussen God en de mens te stellen. De tijd hiervoor is thans voorbij. Dit vraagstuk is gaandeweg, in de loop der eeuwen, tot aanzijn gekomen en ging gepaard met de groei van het menselijk intellect het zelfbewustzijn van de mens. Het vraagt thans zeer dringend om een oplossing.

Zonder het onderwerp ook maar enigszins te maskeren, gaat de schrijfster verder:
Ik baseer mij op het bestaan van God, op het bestaan van Christus, op het bestaan van ’s mensen geestelijke benadering van de goddelijkheid, op het bestaan van de onsterfelijkheid van de Geest, op het bestaan van een geestelijke gelegenheid en op het bestaan van de betrekking van de mens tot God en tot zijn medemensen. Ook zou ik de nadruk willen leggen op de evolutionaire voorstelling van de waarheid en haar voortdurende aanpassing aan de behoeften van de mensheid in elke periode van de geschiedenis.

Ik tracht zeer bepaald te bewijzen dat de kerken niet alleen gefaald hebben om de mensen in grote getale tot God te brengen, of om de wereldoorlog ( 1914 – 1945 ) af te wenden, maar dat zij ( uitgezonderd een zeer kleine minderheid ) de neiging tonen te vervallen in de oude slechte wegen, in de oude versleten theologieën en leerstellingen en in de materialistische autoritaire methoden, die het falen van de kerken betekenden.

Ik heb er geen belang bij de christendom aan te vallen. Het christendom kan niet worden aangevallen: het is een uitdrukking --- in wezen, zo nog niet in feite --- van de liefde Gods, immanent in het door Hem geschapen heelal. De kerken echter hebben zich in alle opzichten blootgesteld aan aanvallen en de meeste denkende mensen weten dit: helaas vormen deze denkende mensen een kleine, maar snel in aantal toenemende minderheid, en deze denkende minderheid zal --- wanneer ze tot een meerderheid is geworden --- de ondergang van de kerken betekenen en de verspreiding van het ware christendom bevestigen.

Laten wij het beeld zo ruim mogelijk bezien. Mag ik u om geduld vragen, terwijl ik het onderwerp ontvouw? Wilt u uw mening even aanhouden totdat u gelezen heeft wat ik te zeggen heb? Wilt u dan uw opeengehoopte vooroordelen en de activiteit van uw afweerneigingen in bedwang houden, totdat u  met mij het onderwerp van alle kanten bestudeerd heeft? Dat is alles wat ik vraag. Duidelijkshalve en opdat de reeds van feiten en mogelijkheden duidelijk voor uw denken mag uitkomen, ga ik dit onderwerp als volgt onderverdelen, te beginnen met het meest onaangename en betwistbare, en met een toon van hoop, van doelstelling en van visie tot slot.

 
I. Het falen van de kerken.
Zoudt u in alle oprechtheid en in het licht van het wereldgebeuren willen beweren, dat de 

kerken geslaagd zijn?


II.
De huidige gelegenheid van de kerken.

Herkennen de kerken deze gelegenheid?

 

III. De essentiële waarheden die de mensheid behoeft en intuïtief aanvaardt.
Welke waarheden zijn dit?


IV.
 De regeneratie van de kerken.
Is regeneratie mogelijk?

V.  De nieuwe Wereld-Godsdienst.
( De punten II tot en met V nemen we niet in behandeling: belangstellenden verwijzen wij naar het boek. )

Thans is de Wereldoorlog voorbij: de toestand is veranderd; de onmiddellijke behoeft van de mensheid treedt duidelijk naar voren en even duidelijk zijn de stappen die de kerken zich voorstellen te nemen om aan die behoefte tegemoet te komen --- de georganiseerde politieke beïnvloeding van de naties, zoals dit het geval is met een groep in Genève, het wederopbouwen van de kerken, campagnes voor ledenwerving en nieuwe geloofsbelijdenissen in dezelfde oude bewoordingen.
Het schijnt daarom van belang te zijn, dat wij de toestand nauwkeurig onder ogen zien zoals zij is, en dat wij die waarheden die essentieel zijn voor ’s mensen vooruitgang en verlichting, isoleren, en dat wij die waarheden die tot controversen aanleiding geven en onbelangrijk zijn, climineren; ook is het nodig dat wij de weg tot redding vaststellen die de kerken moeten volgen: indien de kerken en de kerkmensen werken en denken zoals Christus deed, dan zal de verlossing van de mensheid verzekerd zijn. Bovenal is het van belang dat een visie wordt gegeven die een visie zal zijn voor alle mensen, overal, en niet eenvoudigweg een schone hoop van een sektarische groep of van een dweepzieke, zelfvoldane organisatie. Het is essentieel dat wij terugkeren tot Christus, tot Zijn boodschap en tot de levenswijze, waarvoor Hij het voorbeeld gaf.
De kerkmensen moeten er aan denken, dat de menselijke geest groter is dan alle kerken en groter dan hun leringen. Op de lange duur zal de menselijke geest hen verslaan en triomferend ingaan tot Gods koninkrijk, hen verachter zich latend, tenzij zij binnentreden als een bescheiden deel van de massa der mensen. Gewichtig doende prelaten en leidende geestelijken hebben geen deel aan dat koninkrijk. Christus heeft geen prelaten en kerkelijke leiders nodig. Hij heeft nederige leraren der waarheid en voorbeelden van het geestelijke leven nodig.
Niets onder de zon kan de vooruitgang van de menselijke ziel, op haar lange pelgrimstocht van duisternis naar licht, van het onwerkelijke naar het werkelijke, van dood tot onsterfelijkheid en van onwetendheid tot wijsheid, tegenhouden. Indien de grote georganiseerde religieuze groepen der kerken in elk land, samengesteld uit alle godsdiensten, geen geestelijke leiding en hulp bieden, dan zal de mensheid een andere weg vinden. Niets kan de geest van de mens afhouden van God.  

Het falen van de kerken.
Herinneren wij ons dat Christus niet gefaald heeft. Het menselijk element heeft gefaald en heeft hem verworpen, Zijn bedoeling verijdeld en de waarheid die Hij verkondigde verkracht. De theologie, de dogma’s en de leerstellingen, het materialisme, de politiek en het geld, hebben een grote donkere wolk opgetrokken tussen de kerken en God; zij hebben de ware visie van Gods liefde buitengesloten, en tot deze visie van een liefdevolle werkelijkheid en een levende erkenning van haar gevolgen, moeten wij terugkeren.

Is er enig kans, dat de kerken en de kerkmensen zullen luisteren naar wat ik te zeggen heb, en dat een vernieuwing van het geloof zoals het in Christus was, zal terugkeren? Zijn er voldoende mensen met visie in de kerken, om de toestand te redden, een visie om aan de behoefte van de mens tegemoet te komen en geen visie van de groei en de uitbreiding van de kerken. Zulke mensen bestaan in elke godsdienstige organisatie, maar het is jammerlijk en betreurenswaardig klein aantal. Zelfs aaneengesloten ( wat jammer genoeg voorlopig onmogelijk is door verschillen in leerstelling ), bieden zij een enigszins onbetekenende groep tegenover de georganiseerde macht, de materialistische praal, de gevestigde belangen en de fanatieke vastbeslotenheid van de reactionaire geestelijken van alle godsdiensten. Ik schrijf dit echter voor deze weinigen, omdat het gewoonlijk de worstelende minderheid is ( in dit geval de geestelijke denkende weinigen ) die de ware visie bewaken en haar tenslotte verwerkelijken; zij zijn degenen die met de stervende, gefolterde mensheid langs de verzengende, vreugdeloze straten zwerven en die daardoor met scherp gevoel de noodzaak van de regeneratie van de kerken herkennen.

Onze godsdienstige podiums, onze kansels en onze godsdienstige periodieken en tijdschriften zijn vol met oproepen aan de mensen om zich weer tot God te keren en om in de godsdienst de uitweg uit de huidige chaotische toestanden te vinden.

Toch is de mensheid nooit tevoren zo geneigd geweest tot het geestelijke, of zich zo bewust van en beslist georiënteerd op de geestelijke waarden en op de behoefte aan geestelijke herwaarderingen en verwerkelijkingen. De oproepen die uitgezonden zijn moesten tot de kerkelijke leiders gericht zijn, tot de geestelijken van alle godsdiensten en tot de werkers voor de kerk, overal ter wereld; zij moeten terugkeren tot de eenvoud van het geloof, zoals dat in Christus is. Zij moeten herboren worden. overal vragen de mensen om licht. Wie kan hun dat geven? Zij die zelf in de dichtste duisternis rondwaren? Opnieuw zijn het de blinden,die de blinden leiden!

Er zijn twee hoofdfactoren, die verantwoordelijk zijn voor het falen der kerken:

 

1. Bekrompen theologische verklaringen van de heilige Geschriften.

 

2. Materiële en politieke idealen.

 

Door de eeuwen heen hebben de mensen in alle landen getracht hun persoonlijke religieuze interpretaties van de waarheid, van de heilige Geschriften en van God, bij de grote massa ingang te doen vinden. Zij hebben de Bijbels van de wereld genomen en getracht deze  uit te leggen, de daarin gevonden denkbeelden hebben zij door de zeef van hun eigen denkvermogens en hersens laten gaan en gedurende dit proces is de betekenis onvermijdelijk verzwakt. Hiermede nog niet tevreden, hebben hun volgelingen deze door de mensen ontwikkelde interpretaties aan de niet-denkenden en de onwetenden opgedrongen. Elke godsdienst --- het Boeddhisme, het Hindoeïsme in zijn vele aspecten, het Mohammedanisme en het Christendom --- heeft een schare voortreffelijke denkers voortgebracht, die ( gewoonlijk zeer oprecht ) getracht hebben te begrijpen wat God verondersteld wordt gezegd te hebben: die dogma’s en leerstellingen geformuleerd hebben op de basis van wat zij dachten dat God bedoelde, en hun woorden en denkbeelden zijn daardoor godsdienstige wetten en de onweerlegbare waarheden van ontelbare miljoenen geworden. Wat houden wij over bij de uiteindelijke analyse? De denkbeelden van de een of andere menselijke denker, weergegeven in de woorden van zijn tijd, traditie en achtergrond, over wat God heeft gezegd in een of ander geschrift, dat gedurende eeuwen onderhevig is geweest aan de moeilijkheden en de fouten die voortvloeiden uit de voortdurende bewerkingen --- bewerkingen die vaak gebaseerd waren op mondelinge lering.

De leerstelling van de woordelijke inspiratie van de Heilige Boeken der wereld ( in het bijzonder van toepassing op de christelijke Bijbel ) is heden volkomen ontzenuwd. ( Lees hiervoor het eerste gedeelte van De Volkeren der Aarde, door Jozef Rulof. Red. )  evenals de onfeilbaarheid van de uitleg. Thans wordt ingezien dat alle Heilige Boeken van de wereld gebaseerd zijn op armzalige vertalingen en dat niet één gedeelte ervan --- na duizenden jaren van vertalingen --- is zoals het oorspronkelijk was, indien het ooit bestond als een oorspronkelijk manuscript en in werkelijkheid niet de herinnering van de een of ander was van wat gezegd werd. Tegelijkertijd moeten wij in gedachten houden, dat de algemene strekking en het fundamentele onderricht, zowel als de betekenis van de symbolen, gewoonlijk juist zijn, ofschoon alweer de symboliek zelf aan een moderne vertaling onderworpen moet worden en niet aan een verkeerde interpretatie door onkunde. Wat ik tracht duidelijk te maken is, dat dogma’s en leerstellingen, theologie en dogmatische verklaringen niet noodzakelijkerwijs, de waarheid aanduiden zoals ze bestaat in het denken van God, met Wiens denken de meerderheid der dogmatische tekstuitleggers beweren bekend te zijn. Theologie is eenvoudig dat wat de mensen denken dat het denken van God is; zij maken zich daardoor tot God, omdat dit denken blijkbaar een open boek voor hen is. Hoe ouder het Heilige Boek, hoe groter, noodzakelijkerwijs, de verdraaiing. De leerstelling van een wraakgierige God, de leerstelling van de vergelding in de een of andere mythische hel, de leer dat God alleen hen liefheeft die Hem in de bewoordingen van enige speciale theologische school verklaren, de symboliek van het bloedoffer, het zich toeëigenen van het Kruis als een christelijk symbool, dat lering over de Maagdelijke geboorte en de voorstelling van een toornige, alleen door de dood te bevredigen Godheid, zijn de ongelukkige resultaten van ’s mensen eigen denken, van zijn eigen haatdragende aard, van zijn sektarische afgescheidenheid ( die wel aangemoedigd wordt door het Joodse Oude Testament, maar die in het algemeen bij de Oosterse godsdiensten niet gevonden wordt ) en van zijn gevoel van vrees, geërfd van zijn dierlijke aard; dit alles is aangemoedigd en ingeprent door de theologie, maar niet door Christus, Boeddha of Shri krishna.

De simpele, beperkte denkvermogens van de mensen in hun vroegere en huidige stadia van ontwikkeling, kunnen het denken en het doel van de Ene in Wie wij leven, bewegen en zijn, nu niet begrijpen en hebben dit nooit gekund; zij hebben God in hun eigen bewoordingen verklaard. Wanneer de menen daarom een dogma zonder nadenken aanvaarden, dan aanvaarden zij alleen maar het gezichtspunt van een ander feilbaar menselijk wezen en aanvaarden in het geheel geen goddelijke waarheid. De theologische seminarie moeten beginnen deze waarheid te onderwijzen en hun leerlingen te trainen zelfstandig te denken en te bedenken dat de sleutel tot de waarheid ligt in de éénmakende macht van vergelijkende Godsdienststudie. Alleen die beginselen en waarheden die universeel worden erkend en die in elke godsdienst gevonden worden, zijn waarlijk noodzakelijk voor de verlossing. De geboden waarheden van ondergeschikte en betwistbare aard zijn gewoonlijk onnodig of alleen van betekenis in zoverre zij de oorspronkelijke en essentiële waarheid ondersteunen.

 

 

Europese Heraut, 4e jaargang, no. 87, 1 Mei 1957