De Tempel der Moeder
Deel III

 

De boodschap "Ga en vermenigvuldigt u", kregen wij mee en lag in onze eigen handen. Wij droegen deze boodschap in ons hart, in ons bewuste denken en voelen. Toen wij als mens waren, niet eerder, hebben wij deze woorden kunnen begrijpen en nog, die nog niet in de sferen is, verstikt in deze diepe heiligheid. Want toen heeft God gesproken en ons het leven geschonken als bewuste ÚÚnlingen. Dat bewustzijn ging varen, het ging zweven en wij mee. Wij voelden ons op wolken gedragen en steeds waren de wolken weer terug naar het stoffelijk ik-zijn. De aarde, maar daar de maan, het is de maan die ons aantrok en die opnieuw het stoffelijke leven in groei en bloei optrok, waardoor het tweede, derde, het tiende, het duizendste, het miljoenste stadium van ons leven tot bewustwording kwam, waardoor wij het visstadium konden genieten en het allerhoogste voor deze planeet konden bereiken, ziet u. Als u daarin gaat, dan voelt u dat alleen de moeder het ons kan schenken en het moederlichaam de schepping belijdt. Dat is het. Zij ondergaan dat wat God in het groot deed. De moeder draagt het nieuwe leven, de vader schept, de schepper geeft, de moeder ontvangt, zij dijt, zij doet als het grote en machtige in het heelal, zij wordt ruim, maar in instinct, in de stilte van zichzelf, van haar eigen-ik. In die duisternis ontwaakte het nieuwe leven zoals wij de duisternis hebben gezien zo even, toen er nog niets was, er nog niets bestond, toen alles even duister was als voorheen toen God zich van de eerste openbaring zou schenken, zichzelf ging geven, Hij liet zien dat Hij op komst was, daarvˇˇr lag het, dat beeld, dat is ook in de moeder aanwezig, dat is het heiligste ogenblik waarin wij in slaap vallen. Als ik verder wil gaan, dan moet ik u duidelijk maken, dat wij hier de eerste, tweede, de tiende, de duizendste dood hebben ontvangen, dat wij toen daar ook de levens van Gene Zijde hebben gezien. Dat de astrale werelden zich hebben gevormd, dat wij doorgingen om dat te volvoeren en om alleen datgene te doen wat God ons had opgelegd. Een nieuw leven ontvangen, dan de werking te geven aan een ander organisme, dat de moeder zou baren. U kunt dit beleven en zien in de boeken van de Meester. Ik verklaar u slechts hoe het geschiedde, daarin gingen wij ontwaken. Van de eerste tot de tiende, tot de honderdste, tot de allerduizendste dood gingen wij in om te sterven en te leven. Om tot dat te komen wat God ons gaf, waardoor wij tot het leven gingen behoren en waardoor wij ons eigen-ik gingen zien. Voor daar is dat geweest om te werken, om eten te zoeken en in dat visstadium te ontwaken, om toen op de bewoonbare planeet, die zich intussen verdicht had, te ontwaken en te zien en te voelen dat het verder gaan niet meer mogelijk was. Ik voel mij nog hier als ik mij nu op mijzelf ga instellen, vrienden. U kunt dit eveneens doen, dan voel ik dat mijn knieŰn knikken en ik lig neergeknield in de tempel van de moeder. En toch, ik zie beelden, ik zie gestalten, ik zie die wolken massa's voor mij in die duisternis en het licht van hierna. Ik zie de aarde als het ware en toch is het de maan en ik zie het licht, zwak in de ruimte, dat het zonnestelsel moet zijn, dat zwak, in die tijd de planeet, die de naam heeft gekregen als maan, heeft verzorgd, vertroeteld, bewaakt en overstraald, zodat het leven een aanvang kon nemen, ziet u. Dat voel ik hier in de tempel van de moeder en ik ben daar op de maan en ik leef daar en ik voel en ik zie de schepping van voordien, toen God zich aan ons openbaarde. Toen wij door het leven van God tot God ingingen en het licht, de diepte en de werkelijkheid gingen beleven, dat beleef ik hier in de tempel van de moeder en ik voel mij gedragen in dat, wat zij in zich heeft en ontvangen is. In die heilige stilte, als het ÚÚnzijn volkomen wordt en de liefde ondergaat, als God zegt: "Heb lief, heb lief al het leven dat van Mij is." Voelt u hoe heilig het kan zijn als wij deze dingen beleven en uw opwaarts klimmen beantwoord wordt. In de tempel van de moeder is dit te zien en te voelen. Als wij opgenomen worden in deze wetten, dan is er heiligheid in u want dan ziet u God, dan staan wij van aangezicht tot aangezicht voor Hem en moeten wij neerknielen en leeg zijn, niets zijn. Wij moeten dan zijn als toen, toen Hij ons het leven gaf en wij uit die wolkenmassa tot een sprankje hoop, een sprankje licht, een vonk van Hemzelf werden en geschapen zijn. Toen het licht ging ontwaken in ons eigen-ik, ziet u. Toen dat licht zuiverder en zuiverder, de gestalte die wij waren ging omstralen en dan het neerkomen en ingaan, het verwelkomen en dieper, dieper, waarvoor uw heiligheid gereed is en God ons Zijn eigen leven gaf, bewerkt wordt. Dat deed de natuur, dat moest moeder natuur in handen gegeven worden, want daardoor werd de schepping volmaakt. Ik moet met u verder, op de oever zien wij deze gestalten neerliggen, wat het stervensproces is voor het visstadium, dat de maan ons bieden kon, maar God zorgde voor het tweede ogenblik, voor het verdere stadium, dat een planeet moet zijn, die ons aan zal trekken en waar wij het nieuwe leven zullen ontvangen.
Daarheen voer ik u, daarheen zal ik u voeren. Straks, dan voer ik u daarheen, ziet u. Als u met mij wilt gaan om dat te beleven, om van de maan af te trekken, in de ruimte te gaan, verder, naar de tweede kosmische graad en tot de aarde, want de aarde bezit de derde kosmische graad en daarna treedt u het leven na de dood binnen. Maar vanaf de maan gaat u naar een bij-planeet, die gereed zal zijn om ons te kunnen ontvangen. Maar wat geschiedde, dat moet u duidelijk zijn en kunnen aanvoelen, dat beleefde iedere ziel, elk vonkje van God, dier en mens en is alleen door het moederschap mogelijk. De moeder ging van graad tot graad en daardoor zien wij de geboorte, het ontwaken van het zieleleven en de diepte van God in ons komen. Daardoor hebben wij het leven gezien en gevoeld, gingen wij van graad tot graad, van de eerste dood in de tweede, de tiende, de duizendste, totdat wij deze planeet in het volle zijn en stadium hebben beleefd. Tot aan het einde, het laatste ogenblik, dat toch een doel moet hebben, dat toch mogelijk moet zijn, want er is voortgang en was die voortgang niet mogelijk, dan bleven wij hier en waren wij gedoemd tot uitsterven. Er is veel te zien waar wij nu zijn, er is veel te beleven waar ik nu ben en u mij voelt, die meegaat en in de ruimte ziet. De maan zweeft in de ruimte, de maan is nu stervende. De maan heeft haar taak volbracht, zoals wij eens onze eigen taak volbracht zullen hebben. Want dan leven wij in het Al en dan gingen wij van graad tot graad, hoger en hoger, de eeuwige wetten tegemoet en zien wij God, maar dat is ook hier mogelijk. Dat is hier te voelen en te zien. Als u ziet, dat de planeet zich heeft verdicht en de visachtige dieren hier aan de oever hun stervensproces beleven, dan, vrienden, moet er een doorgaan zijn, dan moet er iets zijn, dat ons aantrekt, het zieleleven en waardoor wij het andere leven aanvaarden, het andere zijn ontvangen. Dat is het, hier sterven wij. Wij lossen op in de astrale wereld, vertoeven daar totdat wij zijn uitgerust, zodat wij het stoffelijke embryo niet kunnen vernietigen en dan vindt de eerste geboorte plaats op de bij-planeet, die ons opwacht, die is gereed gekomen gelijk met dit zieleleven, dat klaar is om af te dalen in het stoffelijke orgaan, zoals de maan dit beleefd heeft in 't vonkenstadium, dat het embryonale leven is. Zo zal ook iedere planeet het eigen leven te volbrengen hebben en doorgaan om dat te schenken, zodat het evolutieplan zich kan bevorderen. Dat gaan wij zien en ontvangen. Het is het ingaan van uw eigen leven, dat is het heiligste wat u ontvangen kunt. Maar als dit niet mogelijk was, wat had ons dan gegrepen? Dan voelt u toch zeker, dat het Goddelijke principe in niets kon zijn en dat wij gedoemd waren te stikken in dit waarin wij zijn, in dit waarin wij waren en zijn geweest en reeds eerder dit vonnis zich had voltrokken. Het is dodelijk, het is mistig, dat is in het niets terug te keren, waarin niets is, maar God heeft dat nimmer gewild. God gaf ons Zijn eigen leven en het terugkeren tot Hem. Toen de bij-planeten gereed waren, kregen wij dan ook het nieuwe leven en aanvaardden wij het embryonale stadium. Als op de maan gingen wij in dit vonkenstadium in, doch deze planeet is gericht op het verdere zoeken, op de stoffelijke intu´tie, op het ingaan en werken en het aanbidden van ons eigen ik. Ons innerlijke leven groeide en werd groter. Toen het 't allerlaatste stadium had bereikt kon deze planeet ons dat geven wat de maan niet bezat, namelijk het verder gaan op de bewoonbare planeet, doch tien en vijftien jaar later - het is korter geweest dan in deze tijd het menselijke wezen een ouderdom kan genieten - stierven wij opnieuw en traden wij de bewuste astrale wereld binnen. Doch daar gingen wij opnieuw in slaap om terug te keren, om ons gereed te maken voor het nieuwe embryonale leven en ziet u ook daar stadia na stadia komen, graad na graad zich voltrekken en is dat het ogenblik, dat ons het nieuwe leven gegeven wordt.Door het moederschap, de liefde van de moeder, beleefden wij deze wetten. Ik zie in de tempel van de moeder mijn eigen-zelf, ik zag al die wolkenmassa's en visstadia, ik zie de maan voor mij en de bij-planeten in de ruimte, ik zie de stoffelijke en de astrale wereld tot stand komen in de moeder en ik ga in deze wetten over en ik raak de werkelijke afstemming van God. Ik weet dat ik gedragen ben en iets mij voortstuwt, die mij de gestalte heeft gegeven, dat mij gaf het zoeken en vinden naar voedsel, maar door het werkelijke lichaam tot stand kwam. Het lichaam ging zoeken, mijn intu´tie, mijn instinct ontwaakte. En dat instinct voerde mij opwaarts en dat werd een persoonlijkheid, onbewust dierlijk, voordierlijk nog. Toch zoekende naar het bestaan. Twee, drie, vier, vijf, tien, twintig, duizenden levens gaan hier voorbij. Na ieder tijd, na de dood die wij beleefd hebben, komt er de stilte en dan ben ik teruggekeerd in mijzelf. Wat ik hier beleef is heel duidelijk. Als de dood tot mij komt nu ik verder ben en deze planeet ga beleven en mij eigen zal maken, voel ik, dat ik ga denken, dat ik ga corrigeren, dan ga ik na wat ik in die tijd heb beleefd, dat mijn leven is gerezen op de stoffelijke planeet en dat mij doet denken in deze stilte. Als mijn dood kwam dan ging ik denken, als de dood komt treed ik in de astrale wetten en ga ik in de wereld van het onbewuste over. Doch ik voel mij langzaamaan tot het vonk-zijn terugkeren. In die tijd, in dat terugkeren, in dat voelen en denken, ga ik na wat ik heb beleefd tijdens mijn leven op de stoffelijke planeet en daar in die wereld maak ik mij dit eigen en als ik dan niets meer ben en niets meer voel en in slaap ga, dan eerst ben ik gereed om opnieuw te worden aangetrokken en zie ik de re´ncarnatie voor mij. De eeuwige geboorte, het eeuwigdurende verdergaan, het telkens terugkeren als man en vrouw, als moeder en vader, als schepper, als het barende principe en het dienen en het ontvangen en het geven. Ik gaf, in het vorige leven diende ik, ik gaf aan haar mijn eigen leven en zij droeg dat leven, dat het vlees en bloed is op aarde en ook hier gestalte kreeg, doordat die krachten en wetten in mij waren. In haar zag ik nu dat de schepping een aanvang nam. In haar leven ontwaakte er iets. Is dit niet in de ruimte geschiedt? Zagen wij dit niet overal, kwam de maan hier niet naar voren en trad zij niet in dit stadium binnen? Zagen wij het vonkenstadium niet, dat zich regelrecht voerde en handelde naar de wetten van God opgelegd en nu zijn wij wetten. Wij kruipen over de begaanbare bodem. Het is hard, wij stampen op deze bodem en voelen. Wij zijn verdicht en omdat deze verdichting plaats vond, heb ik leren denken, heb ik leren voelen en ging ik in die wetten over. De moeder gaf mij dit ÚÚnzijn met God, de moeder bracht mij het werkelijke ik, dat mij gaf levensvreugde voor het geweld, alleen om te eten en te drinken, dat in stand te houden, dat mij verbergt: het lichaam. Na de dood, in de astrale wereld, kom ik tot rust.
In mij voel ik wat ik beleefd heb. Als u dat voelt, vrienden, dan gaan wij denken en nabeleven. Dat wil zeggen dat er geen stoornissen in ons zijn om opnieuw te kunnen worden aangetrokken. Maar in het vorige stadium was ik schepper, toen gaf ik aan de moeder datgene wat deel uitmaakt van mijzelf. Ik splitste mij zoals God zich spitste in het heelal, ik gaf iets van mijzelf aan haar, waardoor het jonge leven tot stand kwam en geboorte, ja gestalte, kreeg in de jaren dat het ontwaakte. Toen was ik schepper, zij die mij toebehoorde was moeder. In haar kwam er leven. Omdat er leven kwam ging zij voelen, ging zij ontwaken, ging zij dat beleven wat wij op de maan zagen en elk diertje in de ruimte heeft moeten ondergaan, omdat dit het scheppingsplan is, ziet u, de evolutie in de ruimte. Dat wat wij van God hebben gekregen en waardoor wij hier zijn. In de moeder kwam dit tot stand, ik zie dat de moeder het voortbrengingsbesef is, de moeder alleen schept en kan scheppen. Als schepper lopen wij en leven wij naast de schepping. Wij kunnen alleen geven, de moeder draagt door, de moeder is tijdens het dragen met de schepping verbonden, want wat God in het oneindige deed, leeft in haar eigen leven, is in haar aanwezig en wordt verdicht in die duisternis. Voelt u dat de moeder een klein deel van God beleeft tijdens het dragen van haar eigen geluk, van haar leven dat in haar leeft, wat zij gekregen heeft door hem die zich schepper noemt en is dan de schepper niet God en niet moeder? Als moeder hebben wij al deze fasen, deze graden van leven ondergaan en gingen wij in deze wetten over en toch kennen wij de diepte van ons eigen leven; gingen wij in om dat te ontvangen wat door ons heen ging. Vandaar uit, ziet u, kwamen wij tot gedachten en die gedachten brachten ons het eigen denken en voelen. Daar was ik schepper, als ik nu terugkeer ging ik in de moeder over. Toen ik als moeder dat beleefde, toen schiep ik, ik kreeg het gewaad van haar, die haar kind onder het hart droeg. In dat gewaad zal ik ontwaken en God zien, in dit gewaad zal ik leven en dienen en het leven schenken aan een jong leven. Dat is wat God in mij wilde doen ontwaken. Dat gaf mij mijzelf, dat gaf mij mijn ik-zijn en zo gingen wij verder en verder terug, terug tot God, tot Hemzelf, van planeet naar planeet, de bijplaneten, de graden, de overgangsplaneten, die wij kennen en waarop wij leefden om de volwassen stadia te kunnen ingaan. Dat beleefden wij in de tempel van de moeder.
Wij gingen in in de wetten van Hem, die ons geschapen heeft. Voorzichtig gingen wij voort, beleefden wij graad na graad, gingen sterven en keerden opnieuw tot het leven terug. Wij werden vader en moeder. Als moeder beleefden wij de kosmos, als schepper de ruimte, het dagelijkse leven en het naast de schepping wandelen. Wij kregen gedachten in het doen en laten en in het jagen en in het wroeten in onszelf, maar de moeder onderging dat en schonk aan dat leven licht, haar diepe ik, haar eigen zijn, haar gedachten en voelen, haar kind was het, dat zij droeg en het leven gaf. Maar dat kind ging weer verder, groeide en bloeide zoals bloemen in de natuur, de dieren rondom ons. Groter en groter werd dit leven, en werd volwassen en ging tot evolutie over. Hier weer de schepper als man. Na dit leven, in de astrale wereld gekomen, tot het denken en voelen overgegaan, beleefde dit leven het aantrekken in het moederorganisme en daalde het kind op de aarde af om zich gereed te maken voor het nieuwe proces, dat opvolgend hierna lag en waardoor het leven zou ontwaken. Miljoenen malen hebben wij dit beleefd. Eindelijk zijn wij zover dat wij de aarde kunnen bereiken en komen wij in het oerwoud terecht, waar de eerste wezens, de eerste graden voor ons organisme leven. Toen kon moeder Aarde aan haar grootste taak beginnen.
Ik wil echter in het nu verder gaan. Als u daarvan wilt weten, zo leze u toch de boeken van mijn Meester, die alle graden op aarde, door de geleerden als rassoorten erkend, heeft beschreven, die gaf wat wij hebben leren zien en waaruit wij zijn ontstaan en wij hebben moeten bewandelen.

Uit europese heraut 4e jaargang nr 90, 15 juni 1957